Text Box: De M.T. Indië:

Veteranen van het 4e Bataljon Garde Regiment Prinses Irene
1946  t/m  1950 vertellen hun verhaal


 


Gedenkboek van

de  mannen  v/h

Motortransport

4e Bataljon Garde Regiment

 

Prinses Irene

 

1946 - 1950

 

Samengesteld en geschreven door J. L. Baas

in samenwerking met makkers van de M. T.

en adviezen van Stef Klinge

 

 

Heerhugowaard 2001

 

 

 


Voorwoord       

 

 

Het is mede de bedoeling met dit boekwerk hen te herdenken die niet het geluk hebben kunnen beleven na hun diensttijd in voormalig Nederlands Indië terug te mogen komen in hun Vaderland. Zij hebben zich opgeofferd voor een strijd die eigenlijk voor het grootste deel overbodig was. De kameraden die het geluk hebben gehad wel terug te komen bij familie en vrienden, en dit boek tot stand hebben gebracht, zullen die achtergebleven makkers nimmer vergeten, en gedenken hun trouw eens per twee jaar bij het herdenkingsmonument dat is opgericht op het terrein van de Generaal - Majoor de Ruyter van Steveninckkazerne te Oirschot, maar ook ieder jaar op 7 September bij het Nationaal Indië monument in het park ‘’Hattem” in Roermond waar dan meer dan 6000 militairen worden herdacht die in Indië en Nieuw Guinea zijn omgekomen.

 

Helaas zijn er bij het schrijven van dit boek, na  terugkomst uit Indonesië in 1950, ook tien   makkers van de M. T. overleden, wij zullen hen ook nooit vergeten. Vele van de achtergebleven weduwen onderhouden nog steeds kontakt met deze M. T. groep, en zij worden ook vaak betrokken bij verschillende samenkomsten, zoals de reünie’ s.

Jan Baas heeft de plicht op zich genomen dit boek te schrijven, maar bijna alle M. T. makkers hebben hun eigen verhaal ingebracht die ook in dit boek zijn verwerkt en samen spreken zij de wens uit dat de lezer een goed beeld krijgt van de tijd dat zij in militaire dienst waren, als ook een klein overzicht voor- en na hun diensttijd.

Een woord van dank gaat naar een veteraan van een ander onderdeel, het is Stef Klinge in Harderwijk, hij was een geweldige steun bij het oplossen van de computer problemen.

 

                       

Voorwoord. 3

Inleiding. 7

Hoofdstuk 01. 10

Hoofdstuk 02. 16

Hier volgen de beschrijvingen in alfabetische volgorde van de M. T. manschappen tot het moment van inscheping. 20

Een apart verhaal over de uitzending van dienstplichtigen militairen naar Indië  52

Hoofdstuk 03. 56

Liefdesverdriet 73

Een overzicht van de soldijen bij de Koninklijke Landmacht in de jaren 1946 / 1950  82

Artikel I 83

Artikel II 83

Artikel III 84

Hoofdstuk 04. 86

Arnhemse chauffeur over een meerdaagse patrouille van het Prinses Irene Regiment 118

Een brief aan het thuisfront 120

Soerabaia. 128

Een verhaal van Wim Uitentuis o. a. over een verdronken Tjakra, 130

Loemadjang 28 - 12 - 1948. 133

Opmerkingen en wensen van een M.T. er 135

Hoofdstuk 05. 136

2e Politionele aktie, naar Malang, Kepandjan, Blitar, Toeloengagoeng  en  Gondanglegi 136

Tidak akan didjadikan tawanan, tapi boleh poelang keroemah dengan leloeasa. 139

Bekendmaking. 140

Over de ritten met die nieuwe trucks schrijft Wim Uitentuis het volgende: 150

Over de ritten met die nieuwe Ford trucks schrijft Wim tevens: 152

Hier volgt weer een stukje uit het dagboek van Vic van Schijndel: 157

Het M. T. Lichtaggregaat. 158

Maart 1949. 164

Jaap verteld verder: 168

Zaterdag 16 April 173

De M.T. werkplaats. 178

Opdracht voor chauffeur Broekhuizen D.  met truck 11 - 870. 191

Een legendarisch verhaal 192

Hoofdstuk 06. 193

Periode van overdracht aan de T. N. I. , thuisreis van O. V. W. ers, Afscheid van Malang, bootreis naar Jakarta en tijdelijk verblijf te Tjimahi. 193

Een korte taalles Maleis. 202

Oost - Java. 203

Hoofdstuk 07. 206

Thuisreis en aankomst in Holland, persoonlijke belevenissen en Demobilisatie  206

Hoofdstuk 08. 214

De terugkeer in de burgermaatschappij, en de jaren die volgen. 214

Hoofdstuk 09. 219

M. T. Reünies. 219

Hoofdstuk 10. 239

De M. T. busreizen. 239

Hoofdstuk 11. 246

Het terugzien van Indië, waar we nooit meer op hadden gerekend. 246

Terug naar Indië, dat nu Indonesië wordt genoemd. 258

Het 2e terugzien van Indonesië. 259

Hoofdstuk 12. 268

Bataljon reünies. 268

Het verhaal van - en over - Dick Broekhuizen. 273

65 e verjaardag van J. L. Baas, geschreven en voorgedragen door Dick Broekhuizen op 12 September 1992  274

Als herinnering aangeboden door je vrienden van de M. T. Garde Regiment Prinses Irene. 293

Hoofdstuk 13. 324

Ontmoetingen of belevenissen met personen van het 4e Bataljon die niet bij de M. T. hoorde maar zeker bekend zijn bij de M. T.  makkers. 324

Hoofdstuk 14. 327

Het Nationaal Indië Monument i / h Stadspark Hattem te Roermond. 327

De herdenking van de bevrijding in 1950 te Wageningen. 328

De Stichting Hulpverlening Veteranen. 329

Piet van Asten. 330

Hoofdstuk 15. 332

Overzicht der hoofdstukken. 332

Hoofdstuk 16. 334

De volgende M. T.  makkers zijn inmiddels overleden: 334

Hoofdstuk 17. 336

Epiloog. 336

Ruimte voor e.v. persoonlijke aanvullingen. 354

 


Inleiding

 

Selamat Siang, Apa Kabar, en ga zo maar door, dit was de taal die gesproken moest worden gedurende de tijd dat de Nederlandse troepen in voormalig Nederlands Indië verbleven, zo ook de kameraden waar dit boek over gaat, zij verbleven daar 3 jaar van hun jonge leven.

 

Thans op oudere leeftijd aanbeland komen al die herinneringen weer naar boven, dat is wel opvallend want wat gisteren gebeurde op deze leeftijd wordt soms vergeten.

In de jaren rond 2000 ontstaat onder de gelederen van deze M. T. groep van het 4e Bataljon Garde Regiment Prinses Irene het idee een boek te schrijven waarin de opmerkelijke gebeurtenissen uit die Indië tijd gaan worden beschreven, vele van de kameraden die nog in leven zijn geven hun medewerking voor het tot stand brengen van dit boek, en alle persoonlijke ingebrachte verhalen worden daarin verwerkt.

 

Om een goed overzicht te krijgen van de M. T. kameraden is er een korte levensbeschrijving van de tijd voor de opkomst in militaire dienst, maar ook hoe zij in de burgermaatschappij zijn terug gekomen, en ook de ontmoetingen die onder elkaar hebben plaats gevonden, ook de reünies

in M. T. - en in Bataljons verband, herdenkingen en helaas het onontkoombare overlijden van een aantal.

 

De M. T. makkers spreken de wens uit dat dit boek er toe zal bijdragen dat hun kinderen, kleinkinderen en wat er verder mag volgen een idee krijgen welke vriendschap er is ontstaan in de drie moeilijke jaren dat zij in de tropen waren, dit mag wel uitzonderlijk worden genoemd.

 


Aan de lezer, zoals nabestaanden der Indië Veteranen der M.T.

 

Eens droegen zij de  wapenrok  der  Nederlandse  Strijdmacht,

En gingen voor drie jaar naar Indië  met een speciale opdracht

Deze  luidde:   Breng Orde - Rust - en  Vrede  in  dat  verre overzeese  land,

Maar met deze opdracht heeft de Nederlandse Regering zich de vingers gebrand.

Meer dan  120.000 jonge  kerels  kwamen  terecht  in  een  oneerlijke  strijd,

Het leven dat zij daar moesten doorbrengen kon ook stellig niet worden benijd.

Omtrent de vaak  erbarmelijke  jaren dat zij daar op elkaar waren aangewezen,

Heeft een deel van deze M.T. groep tot taak genomen U hierover te laten lezen.

Voordat  de  tijd  was  aangebroken van  de  zeereis, die een maand zou gaan duren,

Werden zij geschoold tot militair onder de krijgstucht, om ook een truck te besturen.

Deze training vond plaats in- en rond - Arnhem, bij barre winterse omstandigheden,

Bij vorst - sneeuw - en ijs, en er moest met strakke discipline worden aangetreden.

Mars oefeningen, bedienen van vuurwapens, en alles wat een soldaat dient te kennen,

Dat werd allemaal in 7 maanden geleerd, aan die omstandigheden moest men wennen.

Toen’ t moment was gekomen van afscheid der achterblijvers die hen dierbaar waren,

Vertrok het Bataljon vanuit Amsterdam, voor een lange zeereis over de woelige baren.

Het leven op die oude schuit met de naam Tabinta was dan ook bepaald geen pretje,

Na aankomst in Indië moest men op een veldbed slapen, onder een muskieten netje.

De taal en zeden waren in Nederland reeds voor een gedeelte aan hun bijgebracht,

Maar wat daar dan ook werd aangetroffen was lang niet wat men er had verwacht.

Zo was er helemaal geen tijd om aan acclimatiseren toe te komen,

Er moest  al  snel aan de eerste politionele aktie worden deelgenomen.

De oneerlijke strijd met de opstandelingen was vanaf die dag begonnen,

Maar kon onmogelijk  door  geen  van beide partijen worden gewonnen.

Na  de  eerste ervaringen  van  het  wapengekletter rond Semarang en De Mak,

Kwam de periode dat voor hun op Oost Java de tweede politionele aktie uitbrak

Dat werd een zware en moeilijke tijd van beschietingen, trekbommen en hinderlagen,

En men v/d  beveiliging bij transporten de Huzaren van Boreel hulp moest vragen.

De  inmiddels  volwassen  kerels,  geworden in  die  zware  en  oneerlijke  strijd,

Willen via dit boek hun verhaal vertellen over die spannende en onvergetelijke tijd.

Maar er  zijn  ook wel  goede en mooie restanten uit die zo bewogen jaren,

Dat is de hechte vriendschap die is overgebleven uit de tijd dat zij samen waren.                                                              

                    -o-o-o-o-o-o-o-o-o-o-o-o-o-o-o-o-o-o-o-o-o-o-o-o-

 

 

Inhoud
Hoofdstuk 01

 

Als op 5 Mei 1940 de Duitsers op zeer brute wijze en met een grote strijdmacht Nederland binnen vallen is na een korte, maar hevige, strijd ons leger niet meer in staat weerstand te bieden en wordt er gecapituleerd op 14 Mei 1940.

Ook vele Europese landen worden door de Duitsers bezet en er volgen vijf verschrikkelijke bezettingsjaren, bijna alles heeft te maken met de oorlogsindustrie en vele mannen worden te werk gesteld in Duitsland en andere bezette landen, ook voeren velen strijd tegen de Duitsers, o a. via het ondergrondse verzet.

De jonge generatie mannen moeten zich op zestien jarige leeftijd melden voor de z.g. Arbeids-Dienst om in kampen, gekleed in uniform, te worden opgeleid tot semi militair, met deze generatie 16 jarigen krijgen ook de meeste jongens te maken die in dit boek worden beschreven, maar velen onttrekken zich aan deze plicht door onder te duiken.

 

In het vrije Engeland worden op 27 Mei 1940 de in het verenigd Koninkrijk wonende Nederlanders van 20 tot 35 jaar opgeroepen zich als vrijwilliger te laten inschrijven, op 8 Augustus 1940 volgt de dienstplicht voor alle Nederlanders van 19 tot 36 jaar, Februari 1940 wordt deze dienstplicht uitgebreid tot de rest van de vrije wereld, en Januari 1942 wordt de minimum leeftijd 18 jaar en maximum 42 jaar.

 

Inmiddels was in Engeland op 11 Januari 1941 de Koninklijke Nederlandse Brigade opgericht, deze Brigade krijgt op 22 Februari 1942 de naam Brigade Prinses Irene.

De wereldoorlog breid zich steeds verder uit en in December 1941 raakt Japan daar in betrokken, eind Mei 1942 wordt Nederlands Indië door de Jappen bezet. Een detachement van honderdvijftig man van de Prinses Irene Brigade was al vertrokken naar Indië maar kon daar niets meer uitrichten, er was reeds gecapituleerd bij aankomst.

In de jaren die volgden zijn er veel verschuivingen binnen deze Brigade maar uiteindelijk in Juli 1943 wordt deze ingedeeld bij de legergroep van Montgomery , die een invasie voorbereid van het Europese vasteland.

Op 6 Juni 1944 breekt D - Day aan en komen de eerste Geallieerde troepen aan in Normandië, en dan op 6 Augustus wordt de Prinses Irene Brigade, groot 1205 man, ontscheept in Normandië, de Brigade vecht zich een weg door Frankrijk en België en komt op 20 September 1944 over de Nederlandse grens. Op 27 Oktober volgt de bevrijding van Tilburg en eind April wordt Hedel ingenomen. Op 5 Mei 1945 capituleert Duitsland en wordt dat door de bevelhebbers ondertekend in Wageningen, de Prinses Irene Brigade wordt daarna ontbonden.

 

Er was echter nog geen einde gekomen aan de Tweede Wereldoorlog want Japan bezet nog steeds Nederlands Indië, daar komt in Augustus 1945 verandering in als Hiroshima en Nagasaki door atoombommen worden getroffen, en op 15 Augustus 1945 volgt de overgave van Japan. Britse troepen landen dan op delen van Nederlands Indië en er worden vele Nederlandse burgers en krijgsgevangenen bevrijd, de Indonesische vrijheid strijders leveren strijd en er sneuvelen vele Britse militairen.

 

In Nederland komt langzaam ‘n opbouw op gang, mede door hulp van het z.g. Marschall Plan, maar ook een opbouw van een Expeditionaire macht met de bedoeling deze militairen naar Nederlands Indië te sturen, in April 1946 komen de eerste onder de wapenen.

Het eerste Prinses Irene Bataljon was 3 - R. P. I. en vertrok 16 Oktober 1946 naar Nederlands Indië en kwam daar aan op 12 November 1946. zij leverden strijd met de T. N. I.

In Oktober 1946 wordt het 4e Bataljon Prinses Irene opgericht en in November 1946 wordt deze lichting in Arnhem ondergebracht in de Menno van Coehoorn- en Saksen Weimar kazerne, en hiermee begint ook het verhaal van deze M. T. veteranen.

Het deels in Engeland opgeleide kader, dat grotendeels bestaat uit vrijwilligers en reserve Officieren en Onderofficieren, is aanwezig in Arnhem en vangt de nieuwe lichtingen op, niet alle dienstplichtigen van dit Bataljon komen onder de wapenen op deze dag in Arnhem, er zijn er ook die eerst bij een ander onderdeel opkomen. Degene die in Arnhem opkomen worden voorlopig verdeeld over zes Compagnieën en zullen een eerste training krijgen van zes weken, dat gebeurt in November en December tijdens een flinke vorst periode en sneeuwval.

De dienstplichtigen manschappen die hierbij horen en later deel zullen uitmaken van de M. T. zijn als volgt.:

           

 

A. Abbink , J. L. Baas,             S. Beuving,      W. Boksem,    H. Bruggink,  D. Broekhuizen,  E. Dijkman, J. Frieszo,  J. de Goeijen,   J. Gravesteijn, J. H. Heijgen, O. Krist, H. Meinderts, L. Paardekooper, C. van Rij, V. Strack  van  Schijndel, G. Vermeulen, C. van Vliet, en  A. Weterings.

 

Dienstplichtigen die eerst in December 1946 bij een ander onderdeel, het Artillerie Meetregiment, worden opgeroepen zijn:

 

J. A. Baltus, J. Boekestijn, T. de Bont,   G. v.d. Hurk,    A. Jongenelen,   Th. Tol   en W. C. Uitentuis

                       

 

Na die eerste training wordt er verlof gegeven en daarna wordt het grootste deel ingedeeld bij de Staf Compagnie, waar de M. T. deel van uit maakt.

 

Het aanwezige kader bestaat uit de volgende personen:

Motor Transport Officier, 1e Luitenant A. v.d. Veen  ( reserve Off. )

Motor Transport Onderofficier, Sergeant  o. v. w.  -  H. Timmermans

Hoofd werkplaats,                     Sergeant  o. v. w.   - E. de Jager

Korporaal Rij Instructeur                        o. v. w.   - J. A. Derksen.

Korporaal                                           o. v. w.  - G. van Leeuwen

Korporaal B. O. S. (Benzine - Olie - Smering ) o. v. w. - J. v.d. Stelt

Korporaal Chauffeur                                  o. v. w. - C. v.d. Horst

Soldaat 1e klas Rij instructeur                 dpl.       - P. van Asten

Soldaat 1e klas   Chauffeur              o. v. w. -            A. Hagen

Soldaat 1e klas                                          o. v. w. - E. Scheerder

 

Bij de M. T. in Arnhem wordt aangevangen met auto rijinstructie, er wordt les gegeven door van Asten, Derksen en  v. d. Horst.

 

De personen die later waren ingedeeld bij dit peloton van de Stafcompagnie zijn :

 

            naam        woonplaats                  toekomstige functie

 

1          P. van Asten    Leende              Chauffeur instructeur

2          A. Abbink         Eibergen            Schrijver       

3          J. L. Baas        Amsterdam       Monteur / Chauffeur

4          J. A. Baltus      Castricum         Chauffeur

5          S. Beuving       Gem. Avenhorn                 ,,

6          J. Boekestijn    de Lier                   ,,

7          W. Boksem     Rotterdam             ,,               

8          M. de Bont       Den Bosch               ,,

9          H. Bruggink     Doetinchem          ,,

10        D. Broekhuizen           Zaandam              Monteur       sold. 1e Klas

11        J. A. Derksen Arnhem                Instr. Chauffeur Korporaal

12        Dijkman           Blokker                           Chauffeur    

13        J. Frieszo        Assen                     ,,                                

14        J. de Goeijen   Almelo                     ,,                

15        J. Gravesteijn Wormerveer             ,,

16        A. Hagen         Arnhem                              ,,

17        J. H. Heijgen    den Haag                  ,,

18        C. v. d. Horst   Amsterdam           Instr. Chauffeur Korporaal

19        G. v. d. Hurk    Heerhugowaard             Chauffeur                

20        E. de Jager      Ooster Nijkerk    Monteur  Sergeant

21        A. Jongenelen             Hoofddorp          Chauffeur

22        O. Krist                        Amsterdam                ,,

23        G. van Leeuwen Rotterdam       Chauffeur Korporaal

24        H. Meinderts    Warga                            Monteur

25        L. Paardekooper Arnhem           Chauffeur

26        C. van Rij        Arnhem                               ,,

27        E. Scheerder   Arnhem                               ,,

28        J. v.d. Stelt      Voorburg              B.O.S.      Korporaal

29        V. Strack v Schijndel  Rotterdam            Chauffeur

30        H. Timmermans          Den Haag            M. T.O. O.   Sergeant

31        Th. Tol                       Volendam          Chauffeur

32        W. C. Uitentuis                      Edam                Chauffeur    

33        A. v. d. Veen              Amsterdam          M. T. O. 1e Luitenant

34        G. Vermeulen           Huissen               Chauffeur

35        C. van Vliet                Utrecht                    ,,

36        A. Weterings             den Haag             Monteur  Korporaal

 

Zoals beschreven zijn bovenstaande personen niet allemaal direkt bij de M. T. ingedeeld in Arnhem 1948, enkele zijn eerst ondergebracht bij een Infanterie Compagnie en na de eerste 6 weken over gegaan naar hun eigenlijke bestemming om opgeleid te worden voor hun toekomstige functie. Ook zijn er personen die eerst zijn opgekomen bij een andere onderdeel, zo is het de bedoeling dat in dit herinneringswerk een ieder zo veel mogelijk zijn versie geeft over zijn voorgeschiedenis en zijn opleiding en op welke wijze hij tenslotte is ingedeeld bij de M. T. van bovengenoemd Bataljon. Daarna volgt, voor zover mogelijk, van een ieder het verloop tot aan het moment van uitzending naar Nederlands Indië en met welke taak en rang hij is ingedeeld.

Daarna het verloop in Nederlands Indië, zoals b. v. een detachering bij een andere Compagnie en zijn wetenswaardigheden. Tenslotte de thuisreis in 1950, de demobilisatie en terugkeer in het burger leven, en verdere levensloop.

Er zijn op het moment dat men is begonnen met het schrijven van dit werk al 10 personen overleden, het was soms moeilijk van hen  gegevens te vergaren, maar van het merendeel zijn wij redelijk op de hoogte van de periode tot aan hun overlijden.

 

Inhoud
Hoofdstuk 02

 

Het is 7 november 1946 als in Arnhem, zowel in de Menno van Coehoorn kazerne als in de Saksen Weimar kazerne de lichting dienstplichtigen binnen komt, die allen gehoor hebben gegeven aan hun oproep om daar te verschijnen. De meeste zijn met de trein gekomen waarvoor een vrijvervoerbewijs voor de Nederlandse spoorwegen was verstrekt.

 

Een deel van het latere M.T. peloton is niet aanwezig bij deze opkomst, zoals later word beschreven in dit boek moeten zij zich melden bij het Artillerie Meetregiment te Amersfoort.

 

De opdracht voor de eerst genoemde was om met de eerste reisgelegenheid te vertrekken na 07.00 uur. In de kazernes aangekomen moet iedereen zich melden bij de administratie en daar werd verteld bij welke compagnie men voorlopig was ingedeeld, en naar welk gebouw men zich moest begeven. Aangekomen bij het betreffende gebouw moest men de kamers opzoeken, waar men met mede recruten werd ondergebracht. Die kamers varieerden van zo’n 10 tot 20 personen, de meesten sliepen in een stapelbed, waarbij kasten waren geplaatst om de spullen op te bergen.

Het was al gauw duidelijk dat nadat men de kazernepoort was binnen gegaan er een grote verandering in het leven zou komen. Als norm werd aangenomen dat men de wapenen zou gaan dragen ter verdediging van het Vaderland, en ter handhaving van de vrijheid.

Het is de bedoeling om van burgers soldaten te maken, er moest rekening worden gehouden met de vele andere jonge mannen, die samen op één kamer waren gelegerd en die vaak andere opvattingen en ambities hadden, en mogelijk ook een andere godsdienstige overtuiging.

Vervolgens werd iedereen bijgebracht dat de eerste plicht van een militair is: Gehoorzaamheid aan zijn militaire meerderen.                            

Voorts moest men er van doordrongen zijn, dat zodra men zich in uniform ging vertonen in het openbaar, men in hem de vertegenwoordiger

ziet van het leger.

En zo zijn er pagina’s vol te schrijven over het nieuwe leven dat vanaf die dag was begonnen, waarbij ook vooral de kennis van de krijgstucht van groot belang was.

Op de betreffende kamer, waar men dan was ingedeeld, konden de eigendommen zoals de toilet spullen in de kast worden opgeborgen.                                                                                      

Zo word er ook geleerd op welke ordelijke wijze het bed moest worden opgemaakt. Aan het hoofdeinde hoort het z.g. “Wolletje” te worden geplaatst, iedereen moet exact op de zelfde voorgeschreven wijze zijn toegewezen dekens zo opvouwen dat het op een pakketje lijkt, en als bij inspectie blijkt dat het niet volgens de voorgeschreven regels gebeurd is, dan wordt het ogenschijnlijk goed opgemaakte “Wolletje” weer overhoop gehaald en kan men met opvouwen opnieuw beginnen. 

In ploegjes wordt men daarna bij de fourier gebracht die al naar gelang de maten een uniform verstrekt, dat uniform was toen het z.g. battledress met alles wat daarbij hoort. Het passen van de uniformen was lachwekkend, te klein, te groot, of niet bij elkaar passend omdat de voorraad uit Engelse en Canadese dumpen was gehaald, die afwijkend van kleur waren. Zo waren de baretten onwijs groot en werden “Vliegdekschepen” genoemd.

Later werd geleerd dat als er onder in de broekspijpen loodjes, die aan touwtjes waren geregen, werden geplaatst dat de pijpen strak kwamen te hangen, en werden zo in de enkelstukken gevouwen. Om de vouw mooi in die broekspijp te houden werd weer wat anders geleerd. Voordat men van de nachtrust ging genieten moest die vouw vochtig worden gemaakt, waarna de broek netjes opgevouwen onder de dekens werd gelegd en deze al slapende werd geperst, de volgende ochtend leek het wel of de broek zo uit de stomerij kwam, tenzij het opvouwen op de verkeerde wijze had plaats gevonden.

Zo verliepen de eerste dagen met een medische keuring, en informatie over wat er allemaal zal gaan gebeuren in de komende tijd. Er worden distinctieven uitgereikt, zoals stukjes stof waar het onderdeel Prinses Irene op staat, en de Nederlandse leeuw, en die moet men zelf op de mouwen van het uniform naaien, hetgeen voor velen ook de eerste keer is

dat zij  naald  en  garen  hanteren. Zo  moet  men  het  koper  dat  aan het uniform zit poetsen en de koppel en enkel stukken met blanco behandelen.

Waarschijnlijk om de discipline er in te stampen worden er eindeloze exercitie oefeningen gehouden.

Alle opgekomen dienstplichtigen waren dus recruut en waren de eerste tijd geconsigneerd en mochten het kazerne terrein niet verlaten, maar wel werd er geleerd hoe men in het gelid moest aantreden , b.v. op het appél dat enkele keren per dag werd gehouden.

Zo verlopen de eerste twee weken en er worden er vrijvervoersbewijzen en een verlofpas uitgereikt om het weekend naar huis te kunnen gaan.  De kraag moet gesloten worden gehouden, deze mag pas geopend worden na 6 weken want dan wordt aangenomen geen recruut meer te zijn. Om met verlof te gaan wordt er in groepsverband naar het N. S. station van Arnhem gelopen.

Als dan die eerste 6 weken erop zitten krijgen de meeste hun uiteindelijke bestemming, zo komen er 4 Compagnies infanterie, 1 compagnie Ondersteuning en een Staf Compagnie.

Zij die de functie krijgen van monteur bij de M.T. gaan voor scholing naar Utrecht, hierover schrijft Ton Weterings later zijn verhaal.

Inmiddels zijn de personen die eerst bij het Artillerie Meetregiment in Amersfoort waren opgeroepen nu ook overgeplaatst naar Arnhem en ingedeeld bij de M.T. dat een onderdeel is van de Staf Compagnie

De chauffeurs krijgen hun rijlessen en wat daarbij meer komt kijken aan theorie, ook daarover schrijven deze mannen hun verhaal in dit boek.

Men wordt eigenlijk gereed gestoomd om dienst te gaan doen in de tropen. De winter is erg koud en dat is niet altijd prettig omdat de gebouwen amper verwarmd zijn. De kazerne heeft namelijk nog al wat schade opgelopen in de tweede Wereldoorlog, toen de Duitse bezetter hun kwartier had in die gebouwen. 

 


Hier volgen de beschrijvingen in alfabetische volgorde van de M. T. manschappen tot het moment van inscheping.

 

Albert Abbink

 

Hij werd door ons aangesproken met Ab, en was dienstplichtig soldaat, hij werd geboren op 4 Oktober 1926 te Eibergen, op het moment dat hij in militaire dienst gaat woont hij aan de J.W. Hagemanstraat nr 10, zoals hij schrijft is hij daar geboren en getogen.

Na het behalen van zijn M. U. L. O. diploma werd hij kantoorbediende.

Zoals de meeste van ons kwam hij op 7 November 1946 onder de wapenen en werd gelegerd in de Menno van Coehoorn kazerne te Arnhem. Na de eerste militaire opleiding werd hij begin 1947 geplaatst als schrijver op het  “Materieelpark“ van het Administratie Bataljon. Het was de bedoeling dat hij, na een verdere opleiding, met de volgende lichting (dus het 5e Bataljon Prinses Irene) )naar Indië zou worden uitgezonden.

Ongeveer een goede week voor het vertrek naar de tropen van het 4e Bataljon werd hem echter medegedeeld dat hij alsnog met dit Bataljon mee moest, en werd toegevoegd, c.q. ingedeeld bij de M.T.

Pas in Indië heeft hij zijn militaire rijbewijs gekregen.

 

Jan Baas

 

Was dienstplichtig soldaat, hij is geboren op 12 september 1927 te Amsterdam, gezin met 2 kinderen, een 7 jaar oudere broer, opgegroeid in een volksbuurt, het beroep van vader was heier / waterwerken.

Op het moment dat hij in militaire dienst ging woont hij in de Zaanstraat nr 8  te  Amsterdam Centrum.

Opleiding: Lagere school 6 jaar, L. T. S. Smeden bankwerken 2 jaar.

Gewerkt bij: Artillerie Inrichtingen Hembrug, Nederlandse Scheepsbouw Maatschappij, Stork Apparaten fabriek en in 1943 in dienst gekomen bij het Internationaal transportbedrijf D. P. de Rond te Amsterdam, aldaar o.a. veel geleerd van het vak automonteur en bekwaamheid in het besturen van trucks, waarvoor ook een rijbewijs gehaald. In de laatste oorlogsjaren heeft hij het erg moeilijk gehad, ten eerste wegens het voedsel tekort, ten tweede wegens het zich onttrekken aan de Duitse Arbeidsdienst, terwijl zijn vader in het buitenland verbleef en de laatste maanden van de oorlog zijn moeder in het ziekenhuis lag, terwijl ook al zijn distributiebonnen - en stamkaart waren gestolen. Na de oorlog komt er middels het Marschall plan de wederopbouw van Nederland op gang, dat zwaar te verduren heeft gehad door de Duitse bezetters, van de 20 trucks die het bedrijf rijk was, waar hij werkte waren er zo’n 17 gestolen door die bezetters. Het wagenpark wordt weer opgebouwd met de trucks die door onze bevrijders zijn achter gelaten, eerst met Ford, Dodge, G.M.C., en Studebaker, en later met International,  Diamond T en Mack. Het is een interessante en mooie tijd, al meteen komen er transporten naar o.a. Brabant waar de wegen en bruggen zijn vernield,  met militairen vaartuigen moet worden overgevaren, en langs de wegen staat het vol met vernield oorlogsmateriaal.

Al snel haalt Jan zijn rijbewijs en krijgt opdrachten voor zware transporten, maar neemt ook deel aan de opbouw van het wagenpark door de ex. militairen trucks geschikt te helpen maken voor het burgerwerk. Hij heeft ook een werkgever die hem veel vrijheid laat en dat is wel prettig. Als dan de oproep in de brievenbus wordt geworpen dat hij moet worden gekeurd voor de militaire dienst, en de wetenschap dat men bezig is troepen naar Nederlands Indië te sturen, ziet Jan de donkere wolken al hangen, als die keuring dan in 1946 is geschied komt de uitslag als U bent Buiten gewoon dienstplichtig. De donkere wolken zijn dan verdwenen en Jan wordt door iedereen gefeliciteerd, ook vooral door zijn werkgever omdat er eigenlijk geen mens kan worden gemist in die tijd. Maar dan komt er toch een brief van het Ministerie van Defensie om zich te melden in Arnhem, begrijpelijk is dat er wordt gedacht aan een vergissing en er wordt kontakt opgenomen bij Afdeling Militaire zaken in de Handboogstraat te Amsterdam, daar wordt verteld dat het niet mogelijk is direkt een antwoord op de klacht te geven want dat moet in den Haag worden uitgezocht. Met de belofte dat er spoedig antwoord zal worden gegeven gaat Jan weer naar zijn werk, maar als er geen antwoord komt wordt nogmaals een bezoek gebracht in de Handboogstraat maar ook dat levert geen bevestiging op dat er een fout is gemaakt, en tenslotte na hevige protesten wordt er gehoor gegeven aan de oproep waarna plaatsing in de Saksen Weimarkazerne te Arnhem, bij de 6e Compagnie 4e Peloton onder commando van 1e Luitenant Th. van Besouw. Uit protest tijdens marsoefeningen wordt er uitgevallen en wegens stukgelopen voeten komt er toestemming tot het dragen van lage schoenen, en het uitvoeren van lichte dienst, zoals werkzaamheden in het ketelhuis van de Centrale verwarming installatie. Daar werd nog een leuk zakcentje verdiend met het namaken van koperen clips voor de uniform riem. Wat betreft die stukgelopen voeten die waren wel kunstmatig beschadigd, d.w.z. met een ruw voorwerp behandeld. Na de eerste zes weken, door in het bezit hebben van burger rijbewijs, de mogelijkheid om te worden opgeleid tot Regiment Politie, hetgeen gebeurde met twee anderen van het Bataljon bij de Koninklijke Marechaussee te Apeldoorn in de Koning Willem III kazerne. Er wordt les gegeven in het begeleiden van militaire colonnes, het regelen en uitzetten van z.g. militaire marsroutes, het toezien op naleving van de militaire tucht zoals kleding, controleren van autopapieren zoals rijopdrachten, kaartlezen en het schrijven van model rapporten. Maar vooral wordt er op de aspirant Politie gelet dat zij zich correct kleden, en dat is niet altijd even leuk. Er heerst in die kazerne dan ook een flinke tucht.                                

 

Na deze opleiding word Jan geplaatst in de Menno van Coehoornkazerne in Arnhem waar Wachtmeester Bierhaalder de verdere opleiding verzorgt, waarbij ook een motorrijwiel wordt verstrekt. Er worden dan Politiediensten uitgevoerd, zoals het aanhouden van voertuigen van het Bataljon, en het controleren van o.a. Rijopdrachten. Het is niet altijd een leuk baantje en er wordt met een zekere minachting naar je gekeken.

Op de startbanen van het vliegveld Deelen wordt veel met de motorfiets geoefend, maar die dingen zijn zo versleten dat men elkaar terug moet slepen naar de kazerne.

 

Er wordt verteld dat Wachtmeester Bierhaalder niet mee gaat naar Indië, en in zijn plaats komt een andere Wachtmeester. De Regiment Politie zal de rang van korporaal krijgen, en als de diensttijd van de Wachtmeester erop zit en weer naar Holland terug keert zal één van die korporaals tot Wachtmeester worden bevorderd.

Jan Baas en zijn maatje Dirk Roggeband hebben al gauw opgemerkt dat de derde persoon, een zekere Jonker, er op uit is later die rang van Wachtmeester in de wacht te willen slepen, daar doet hij alle moeite voor en er is waakzaamheid geboden, niet in hoofdzaak voor die e.v. rang maar omdat die Jonker het achter zijn ellebogen heeft en alles wat zijn maatjes “verkeerd” doen over  brengt aan onze chef.                    

Er zijn in de tussenliggende periode nog wel bezoeken gebracht aan de Handboogstraat, door zowel Jan als zijn Vader, maar met een “schijnheilig” gezicht werd steeds beweert dat er nog niets bekend was.

Tegen de tijd dat het zover is om te worden ingescheept loopt Jan Baas met het plan rond zich aan de uitzending naar Indië te onttrekken omdat hij vind onrechtmatig te zijn opgeroepen als dienstplichtig militair, dat houd in het plegen van Desertie. Echter de vader van Jan had genoeg overredingskracht hem daarvan af te houden, want de gevolgen zouden desastreus zijn geweest.

 

 

Toon Baltus

 

Was dienstplichtig soldaat en woonde op het moment dat hij in militaire dienst gaat aan de Mient nr 81 te Castricum.

In het burgerleven werkte hij als chauffeur bij het transportbedrijf 

de Stad  Alkmaar, waarvoor hij veel in Amsterdam was. Hij kwam in December 1946 onder de wapenen bij het Artillerie Meetregiment te Amersfoort maar werd later, met een stel anderen, overgeplaatst naar de M. T. van de Staf Compagnie van het 4e Bataljon Regiment Prinses Irene te Arnhem

 

 

Simon Beuving

 

Was dienstplichtig soldaat en woonde op het moment dat hij in militaire dienst ging te Scharwoude nr 45 in de Gemeente Avenhorn, hij kwam uit een groot gezin, zijn vader was hoofd opzichter bij het Wegenbouw bedrijf Ooms. Uit het gezin kwamen later grote kopstukken voort, zo werd één broer Direkteur de Rijksbelastingen in Rotterdam, en een andere Hoofd - aannemer bij de Hollandse Beton Maatschappij.

 

 

Wim Boksem

 

Was dienstplichtig soldaat en woonde op het moment dat hij in militaire dienst ging aan de Strevelseweg nr 83 b te Rotterdam.

Zijn vader had een belangrijke baan bij de Holland - Amerikalijn te Rotterdam.

 

 

Henk Bruggink

 

Was dienstplichtig soldaat en woonde op het moment dat hij in militaire dienst ging aan de Yzevoorde nr 71 te Doetinchem, verdere gegevens ontbreken omdat Henk geen belangstelling toonde aan dit boek mee te willen werken.

 

 

Joh. Boekestijn

 

Was dienstplichtig soldaat en woonde  op het moment dat hij in militaire dienst ging aan de Witte Poort nr 3 in de Lier, daar is hij geboren op 9 Maart 1926. Het gezin waar hij toe behoorde bestond uit ouders, twee zusters en een broer, Joh. was de jongste uit dit gezin.

Zijn schoolopleiding bestond uit de lagere school, later een cursus voor het Middenstands diploma, en een vakdiploma van de Brandstoffen handel. Na de lagere school ging hij op 12 - jarige leeftijd in de tuin werken, na het uitbreken van de oorlog werd dat afwisselend in de tuin - en bij zijn vader, samen met zijn broer in de brandstofhandel (kolenboer). Ook Joh. maakte tijdens die oorlogsjaren verschillende razzia’s mee, hij werd zelfs een keer tijdens een kerkdienst uit de kerk gehaald.

Een oproep voor de arbeidsdienst bleef hem ook niet bespaart, in dit geval kwam de plaatselijke politie hem zeggen dat hij de volgende dag zou worden opgehaald, zodat er een mogelijkheid was dit te voorkomen door elders aanwezig te zijn. Joh. werd echter wel gedwongen dijken te graven zodat het land onder water gezet kon worden. In ieder geval komt hij goed door de oorlog.

 

Als in 1945 de oorlog ten einde is, ontvangt hij ook de oproep om voor de militaire keuring te verschijnen, en daarna een oproep om zich op 3  December 1946 te melden bij het Artillerie Meet Regiment te Amersfoort. Daar heeft Joh. vele herinneringen aan, zoals tijdens Sint-Nicolaas avond, onder geleide gingen ze naar een gelegenheid ergens in Amersfoort, maar het feest werd vroegtijdig afgebroken omdat er een stel diaree kregen en met spoed terug naar de kazerne moesten worden gebracht, om daar zo snel mogelijk de toiletten op te zoeken. Niet iedereen kreeg de kans vroegtijdig in de kazerne terug te zijn en moesten aan de kant van de weg hun broek laten zakken. De oorzaak van dit alles was waarschijnlijk bedorven vlees dat was gegeten bij de maaltijd.

En dan die barre kou, ook op de kamers, als je ‘s morgens wakker werd lag het ijs op je deken, dat was afkomstig van het uitademen.

 

Na de periode van Amersfoort gaan ze naar de Saksen Weimar kazerne in Arnhem, en daar kan Joh. zich de Kapitein Kattekamp en sergeant Berens nog van herinneren, ook de vele sneeuw die er viel, hij heeft nog een keer op wacht gestaan samen met Toon Baltus, bij 17 graden vorst, zij ontdekte toen dat zij op de zelfde dag geboren waren. Normaal bestond het wachtlopen uit twee uur op en vier uur af, maar wegens de strenge kou was het toen één uur op en twee uur af.

 

Als de infanterie training is afgelopen wordt hij overgeplaatst naar de Menno van Coehoorn kazerne, waar hij één van de M.T. leden wordt, hij kan de naam van die S. M. I. niet meer herinneren maar weet nog goed hoe enorm die vent kon schreeuwen, en dan begint ook de chauffeurs opleiding, met de vooruitzichten ook te worden uitgezonden naar het toenmalige Nederlands Indië.

 

                                                                                               

Tiny de Bont

 

Was dienstplichtig soldaat en woonde op het moment dat hij in militaire dienst gaat aan de Zuid Oosterfront nr 17 in den Bosch

Kwam ook eerst onder de wapenen bij het Artillerie Meetregiment te Amersfoort en ging later over naar de M. T. van het 4e Bataljon Prinses Irene te Arnhem.

 

 

Dick Broekhuizen

 

Hij woonde op het moment dat hij in militaire dienst gaat in de Rosmolenstraat 27 in Zaandam , was dienstplichtig soldaat en kreeg vóór het vertrek naar Indië de rang van soldaat 1e klas, in Indië werd hij korporaal toen de o.v.w. ers naar Holland terug gingen, hij was oorspronkelijk ook automonteur.

Hij verteld een moeilijke tijd te hebben gehad gedurende de jaren 1940 - 1945, de laatste jaren was  er  niet  half  genoeg  te  eten, met  het gevolg verzwakking,  thuis werden er voor tijdverdrijf veel spelletjes gedaan.

Dan komt de tijd dat hij ook in 1946 in dienst moet, en voor een monteurs opleiding in de Kromhoutkazerne naar Utrecht ging, daarna volgt zijn plaatsing in de Menno van Coehoornkazerne te Arnhem, waar hij ook bij de M.T. wordt ingedeeld met de bedoeling ook te worden uitgezonden naar Indië, zoals hij zegt waren wij heel onschuldig en onwetend.

 

 

Jan Derksen   

 

Jan verteld als volgt zijn verhaal:

 

Ik woonde 3 minuten vanaf de Menno van Coehoornkazerne, medio 1939 als ik 12 jaar ben, heb ik diverse baantjes in de avonduren gedaan, en in de zomer- vakantietijd koperen brievenbussen- en bellen gepoetst, in de ochtenduren voor de schooltijd bracht ik de krant rond, s’ woensdags middags bracht ik voor de schoenmaker de gerepareerde schoenen naar de klanten en nam dan meteen de schoenen mee, die voor reparatie werden aangeboden. Het gebeurde ook regelmatig dat bij de aanvang van de lesuren  op  school  mij  werd  gevraagd  naar  de  kerk  te komen  om “ lucht te trappen “ voor het stemmen van het orgel, de reden dat ik daarvoor werd gevraagd zou kunnen zijn, dat ik tijdens de les vaak in slaap viel. Zo ging ik ook twee maal per week bij een longarts in Arnhem de sintels uit de oven halen. Dit is nog niet alles want ik had ook nog een baantje bij een poffertjes bakker uit Zandvoort die zomers bij een gerenommeerd hotel stond met zijn kraam en ik de bordjes en schoteltjes ging afwassen en tafels en stoelen opruimen.

Een leuke herinnering is dat ik met mijn broertje vlak voor de St. Nicolaas in 1939 met onze neuzen tegen de etalageramen van V & D stonden gedrukt om naar al dat mooie speelgoed te kijken, en een ( in onze ogen ) oude dame vroeg waar onze belangstelling naar uit ging, mijn broer zei dat hij die spoortrein die in die etalage rond reed zo mooi vond, en ik liet weten helemaal weg te zijn van de mooie stoommachine die daar stond. De dame verzocht ons toen met haar naar binnen te gaan in die zaak, wij moesten haar vast houden om haar in de drukte niet kwijt te raken, om  het  verhaal  kort  te  houden  we  zijn  daarna ook nog naar C & A gegaan en werden daar in geheel nieuwe kleren gestoken, incl. nieuwe schoenen, en wij gingen naar huis met ieder een grote zak waarin onze oude kleren als ook de spoortrein en de stoommachine, bij thuiskomst was de eerste vraag van onze moeder wat die dame met ons had gedaan, maar wij konden haar gerust stellen want er was niets bijzonders gebeurd.

 

Toen ik op veertien jarige leeftijd van school af ging ben ik eerst bij een Apotheker loopjongen geweest met een salaris van 50 cent per week, daarna ben ik bij een bakker gaan werken en daarna op vliegveld Deelen, daar moest ik helpen bij het repareren van barakken, naast dat terrein was een transportdienst van de Duitse Weermacht, waar ik mij vaker ophield , bij die vrachtwagens was ik niet weg te slaan.

 

Ik heb ook nog bij de rubberfabriek HEVEA gewerkt, eigenlijk in het belang van mijn 6 zusters, op aanraden van mijn oude heer moest ik naar mijn werk met veel te grote schoenen want dan kon ik ook nog een paar tennis schoenen mee naar huis nemen.

Toen Arnhem geëvacueerd werd, na de luchtlandingen van 17 September 1944, zijn mijn broer en ik gaan zwerven omdat er bijna niets meer te eten was, en onze moeder was blij met onze distributiekaarten, die wij hadden achtergelaten. Arnhem werd later via Westervoort bevrijd door de Canadezen.

Ik meld mij dan in April 1945 bij de Staf Hoofdkwartier van het Eerste Canadese Veldartillerie. Na circa 4 weken gaven de Duitsers zich over, toen zat ik in Nijkerkerveen en in Augustus vertrokken wij via Huis ter Heide naar Zwijndrecht, daar volgde de Demobilisatie bij dat onderdeel, toen meldde ik me als O. V. W. er bij de 14e Comp. A A T in de Cavalerie kazerne te Breda, daar volgt een opleiding voor kennis- en onderhoud van autotechniek, een autorij opleiding had ik reeds bij de Canadezen gevolgt, daarna is het diploma voor Instructeur Rijopleidingen gehaald in de Ribberdakazerne te Haarlem.            

 

Ik was 18 jaar en kwam in Zandvoort, waar ik voor het eerst de zee zag, en verbijsterd was hoe groot die Noordzee was. Na deze opleiding werd ik geplaatst in Arnhem bij het Regiment Prinses Irene, daar ging ik met de rang van korporaal de rij opleiding verzorgen voor de Prinses Irene mannen die naar Indië zullen worden gezonden, in het begin van 1947 werd mij gevraagd als o.v.w. er met het 4e Bataljon Prinses Irene mee te gaan naar Indië, met de bedoeling chauffeur te worden van de Bataljons commandant Overste Harkema, dat was mij verzocht door de M. T. O. 1e Luitenant v. d. Veen

 

Tijdens het lesgeven gingen iedere ochtend 4 dienstplichtigen mee in een dump auto met rechtse besturing en iedereen was altijd benieuwd waar de reis het eerste naar toe ging want de aspirant chauffeurs kregen om de beurt de kans naar hun ouderlijk huis te rijden en dat werd zeer op prijs gesteld, maar ook werd er op vliegveld Deelen vaak geoefend, daar werd o.a. met de truck een houten uitkijktoren omver getrokken, de kolen waren nog schaars en Jan Derksen kon dat hout thuis best gebruiken. Wat waren de jongens altijd trots als zij de truck bestuurde bij aankomst van hun thuisadres, zo zijn er heel wat boeren erven op - en - af gereden. Als de dienst ten einde liep werd de terugweg naar de Menno van Coehoorn - of Saksen Weimar kazerne aanvaard en zocht ieder weer zijn eigen onderkomen op. Al met al was het een gezellige tijd, alleen had de voormalige commandant, de Kapitein Kelderman, liever dat Jan  in Nederland  zou blijven, maar er was een belofte aangegaan met de

 M. T.O. - A. v. d. Veen dat hij zou mee gaan naar Indië, en een belofte maakt schuld, zodat Jan die ook heeft ingelost.

Op een keer had Jan bijna de Overste van Emden onder zijn truck zitten, volgens van Emden was het de fout van Jan, als het nog eens zou gebeuren zou hij niet mee naar Indië mogen.

Hier volgen nog herinneringen van Jan Derksen !

Medio Maart 1946 stond ik op wacht bij de Menno van Coehoorn- kazerne in een wachthuisje, een stel o.v.w. ers waren bezig met dat huisje heen en weer te duwen tot deze uiteindelijk uit balans raakte en voorover viel, ik had mijn duim steunend aan de trekker van het geweer dat geladen was met scherpe munitie en door de val van het huisje ging het geweer af, er volgde een knal; en een gat in het dak van het huisje, een gebroken vensterraam en ook een gat in de schoorsteen van de winkel die zich tegenover de kazerne bevond. Het leverde mij een hele week zwaar arrest op, hoofdzakelijk omdat de veiligheidspal niet stond zoals het hoorde. Ik woonde toen nog bij mijn ouders en omdat ik zo dicht bij het Militaire Hospitaal woonde werd mij gevraagd of ik genegen was om chauffeur op de ambulance te zijn in de weekenden, dat aanbod heb ik toen aanvaard. Ook in de weekenden werden de maaltijden in de Saksen Weimarkazerne verzorgd voor die militairen die aanwezig waren in de Menno van Coehoornkazerne, ik bracht die maaltijden dan weg “ Om mijn moeder een plezier te doen” want er was altijd teveel eten, vooral gehaktballen, want er waren nog kinderen thuis, en die waren blij met dit voordeel

 

Het was een strenge winter in 1945 / 1946 en er waren bijna geen kolen om de kazerne warm te stoken Wij kregen toen opdracht met 6 drietonners (dump model) naar Heerlen in Limburg te gaan voor het halen van die brandstof. Op de terugweg hadden wij veel pech, de een had een lekkende radiateur, de ander een defecte dynamo en met kunst en vliegwerk werd dat opgelost, in ieder geval hadden wij thuis kolen genoeg !

 

 

Jaap Gravesteijn

 

Was dienstplichtig soldaat en woonde op het moment dat hij in militaire dienst gaat aan de Houtkade nr 5 in Wormerveer, omdat in de jaren 1995 het kontakt met Jaap verloren is gegaan was het niet mogelijk gegevens te achterhalen over de tijd voordat hij in Miltaire dienst kwam.

Jaap heeft wel altijd een dagboek bijgehouden en daarvan heeft hij zo nu en dan een stuk prijs gegeven, hij heeft ook zijn persoonlijke toestemming gegeven daar gebruik van te mogen maken voor dit boek. De breuk van het kontakt met zijn dienstmakkers is gekomen nadat Jaap kennis kreeg aan een nieuwe levenspartner.

Dat werd wel door iedereen betreurd want Jaap wist altijd nog veel te vertellen uit de tijd dat hij met zijn dienstmakkers optrok. Uit de verhalen in dit boek zal dat ook wel blijken.

 

 

Arie Hagen

 

Was oorlogsvrijwilliger en woonde op het moment dat hij in militaire dienst ging in de Oost Peterstraat nr 32 a in Arnhem, Arie kwam uit een gezin van 6 kinderen, t.w. drie meisjes en drie jongens, hij heeft nog al wat uitgehaald in de oorlogstijd, hij was vaak op pad om aan voedsel te komen voor het gezin waar ook de grootouders in huis waren, zo had hij ook een keer van een Duitse Militair op het N. S. station van Arnhem een koffer achterover gedrukt waar na het openen veel goud in bleek te zitten ( van de Joden geroofd ? ) hij heeft die koffer uit angst op de plaats waar die gestolen was terug gezet, maar kreeg later spijt de koffer niet ergens verborgen te hebben.

 

 

Cor v. d. Horst

 

Was korporaal oorlogsvrijwilliger en woonde in Amsterdam, omdat Cor is overleden voordat begonnen werd met het schrijven van dit boekwerk, en er ook geen kontakt meer mogelijk is met zijn nabestaanden, zijn er over hem geen gegevens te melden.

 

 

Gerard v. d. Hurk ( had de bijnaam Moppie )

 

Kwam oorspronkelijk uit Heerhugowaard, hij kwam ook als enkele anderen onder de wapenen bij het Artillerie Meetregiment te Amersfoort maar ging later ook over naar het 4e Bataljon Prinses Irene te Arnhem om daar te worden ingedeeld bij de M. T. van de Staf. Cie.

Moppie bleek al gauw een buitenbeentje te zijn, waarvoor hij door velen   op de vingers werd getikt, daar werd door Moppie om gelachen. De wijze waarop hij zijn uniform droeg was slordig, hij had een flinke bos haar en daar paste nauwelijks zijn baret op, en die droeg hij dan ook slechts als het niet anders kon zoals op het appél. Het was een bijzonder mens.

Wim Uitentuis verteld hierover het volgende: Alle soldaten hebben natuurlijk hun persoonlijke eigenschappen, maar twee van ons vielen wel bijzonder op en dat waren Gerard v.d. Hurk - met de bijnaam Moppie, en Arie Jongenelen ook wel Sarreltje genoemd.

Beide hadden als eigenschap een hekel te hebben aan het marcheren, iets wat in de eerste periode dikwijls gebeurde, vaak waren het afstanden van tien kilometer of langer. Als de twee genoemden er lucht van kregen dat er weer zo’n marsoefening zou plaats vinden dan melden zij zich vrijwillig voor een kamerwacht - dienst. Er was nl.. een regel dat er altijd iemand zo’n dienst kreeg, die dan de verantwoording had over de spullen op de kamer, terwijl de anderen mee gingen op een oefening, in dit geval dus een marsoefening. Maar het lukte beide niet altijd voor deze dienst in aanmerking te komen en als de heren dan moesten meelopen gebeurde het steevast dat zij het peloton niet konden bijhouden en langzaam achteraan kwamen te lopen en bij een moment dat het even mogelijk was plotseling uit het zicht verdwenen.

Het gebeurde bij een tamelijke lange mars, toen Moppie zich had weten te drukken, en het peloton bijna terug was bij de kazerne er een vrachtauto voorbij reed en wij achterop de klep van die wagen Moppie zagen zitten, iedereen brulde van het lachen tot ergernis van onze meerderen.

 

 

Egbert de Jager                                                                                                                               

Was Sergeant oorlogsvrijwilliger Hoofd werkplaats en kreeg na de 2e Wereldoorlog zijn opleiding in Engeland, tijdens de opkomst in Arnhem van het 4e Bataljon Prinses Irene was hij Sergeant en behoorde bij het kader dat de M. T. moest opleiden, en ging ook als zodanig mee naar Indië.

Hij werd geboren op 12 Mei 1925 te Nes in Friesland, en op het moment dat hij in militaire dienst gaat woonde hij in Ooster Nijkerk op het nr. J 172. Hij was een jongen in een gezin van tien kinderen, zijn vader was vaste arbeider bij een boer die een gemengd bedrijf had.

 

Na de lagere school ging Egbert als leerling knecht in een smederij in Nes werken, daar mocht hij het vak leren, dat inhield dat er de eerste tijd niets werd verdiend, later werd dat 50 cent per week. Twee avonden per week volgde hij ook nog een cursus op de Ambachtsschool in Dokkum.

In 1940 werd hij knecht bij smid Scherjon in Ee, hij bleef daar vijf jaar en was de laatste acht maanden van de 2e Wereldoorlog volledig inwonend, en als onderduiker kon hij ook gewoon aan het werk blijven.

 

Direkt na de bevrijding meldt Egbert zich als Oorlogs vrijwilliger en vertrekt op 30 Juni 1945, samen met andere vrijwilligers uit omliggende dorpen, uit Dokkum naar Mill.

Vandaar gaan ze naar Engeland voor hun opleiding, in Februari 1946 mag hij een week met verlof omdat zijn zuster gaat trouwen, en in November 1946 komt hij weer in Nederland en wordt ingedeeld bij de M.T. van het 4e Bataljon Prinses Irene, die gelegerd is in de Menno van Coehoornkazerne in Arnhem. Dit wordt voor Geertje, zijn toenmalige meisje, een mooie tijd ze hebben verkering en Egbert komt ieder weekend naar huis.

Na ruim een half jaar in Arnhem te zijn geweest volgt op 4 Juni 1947 de reis met het MS. Tabinta die hen naar het voormalig Nederlands Indië voert, wetenswaardigheden over die tijd zijn verloren gegaan want op het moment dat dit boek wordt geschreven is Egbert overleden.

Egbert komt na bijna drie jaar Indië weer behouden thuis, de vrijwilligers mochten namelijk eerder naar huis dan de rest van het Bataljon.

 

 

Arie Jongenelen

 

Was dienstplichtig soldaat en woonde op het moment dat hij in militaire dienst gaat aan de Kruisweg nr 680 te Hoofddorp , Arie was de jongste uit het gezin, hij had 10 broers en 6 zusters.

De ouders hadden een tuinderij op het zelfde adres, waar later de kinderen  voor een deel in opgroeiden. Op die tuinderij werd eerst groenten geteeld die op de markt in Haarlem werd verkocht, zo werd er voor de handel ook groenten en tomaten op veilingen in Aalsmeer en Ter Aar ingekocht. Dré, zoals Arie thuis werd genoemd, beschikte al op jonge leeftijd over een handelsgeest, want hij had toen al een eigen huisje waar hij de groenten voor de verkoop gereed maakte, en door zijn vader werd verkocht. Aangaande het verdere verloop van dit gezin is te lezen in hoofdstuk 08.                                                                                            

 

Arie, kwam ook in dienst bij het Artillerie Meetregiment te Amersfoort, en werd later overgeplaatst naar het 4e Bataljon Prinses Irene te Arnhem om daar te worden ingedeeld bij de M. T. van de Staf Compagnie.

Bij het stuk dat over Moppie werd beschreven kwam ook de naam Arie Jongenelen voor, zoals gezegd was het ook een bijzonder figuur, hij mocht ook graag iemand op de kast jagen.

Hij kon het doen met een ernstig gezicht zodat je dacht dat hij het meende. Hij kon ook goed slapen. Op een zekere dag vertelde Arie aan een korporaal dat als hij op een ruwe wijze gewekt zou worden dat de mogelijkheid bestond dat hij dan met een schok overeind zou komen, zijn hoge dienstschoen onder zijn bed zou pakken en daarmee om zich heen zou slaan.

De bewuste korporaal heeft Arie dan ook lange tijd zeer voorzichtig gewekt, en dan lag Arie met een schijnheilig gezicht te grinniken. Zoals gezegd kon hij ook erg goed slapen, zo vast dat hij bijna niet wakker was te krijgen. Vooral als hij s’ avonds een borrel had gedronken.

Wim Uitentuis kan zich nog herinneren dat zij Arie op een ochtend met een paar riemen hebben vastgebonden aan zijn bed, en Arie met bed en al overeind tegen de wand hebben geplaatst, terwijl Arie gewoon door bleef slapen.

Op een andere keer is hij door een man of vier met zijn bed en al buiten in de sneeuw gezet, en toen bleef Arie ook gewoon doorslapen.

 

 

Gerard van Leeuwen

 

Was  korporaal  oorlogsvrijwilliger  en  woonde op het moment dat hij in militaire dienst ging in de J. Fransstraat nr. 83 B in Rotterdam, hij heeft later blijk gegeven geen interesse te hebben in dit boek, zoals hij liet weten zijn het zijn eigen memoires wat hij in voormalig Nederlands Indië heeft beleefd, en daar heeft een ander niets mee te maken.

 

 

Henk   Meinderts

 

Was dienstplichtig soldaat en woonde op het moment dat hij in militaire dienst ging aan de Kleine Buuren nr 126 teWarga -  Friesland.

 

 

Luc Paardekooper

 

Was dienstplichtig soldaat, Geboren 4 Juni 1926 a/d Apeldoornseweg. Op de Rozendaalse Golf Club woonde en werkten zijn ouders, ook de grootouders woonden daar, vader was o.a.. Caddy meester. Luc had alleen een vier jaar oudere broer, zij woonden nog al afgelegen van de stad onthouden van electriciteit, gas en waterleiding. Op jonge leeftijd moest Luc al helpen op de Golfbaan, en bij het verbouwen van een stukje land voor hun levensbehoefte, vandaar zal later wel de interesse zijn ontstaan voor een volkstuin.

De lagere school ging hem niet zo goed af, maar daaren tegen had hij twee rechtse handen.

Na het doorlopen van de school komt hij in dienst bij de Gemeente reiniging, daar heeft hij veertig jaar gewerkt tot aan zijn pensioen met een onderbreking voor zijn militaire dienstplicht.

Hij was één van de gelukkigen die na zijn diensttijd terug kon komen bij zijn werkgever.

Luc kwam op voor zijn dienstplicht in de Menno van Coehoornkazerne te Arnhem, dat werd later de Saksen Weimarkazerne, zijn dienstmakkers hebben hem ervaren als een goed gehumeurde, eerlijke en fijne kameraad, hij is zijn dienstmakkers ook altijd trouw gebleven.

 

 

Eef Scheerder

 

Was oorlogsvrijwilliger en woonde op het moment dat hij in militaire dienst ging in de Daendelstraat nr 7 te Arnhem, hij was een jeugd / schoolvriend van Arie Hagen. Eef heeft na zijn Indië tijd te kennen gegeven niets meer te doen willen hebben met zijn dienstkameraden, later als er na het overlijden van Arie Hagen  kontakt ontstaat tussen Jan Baas en de dochter Corrie Hagen komt het zover dat Corrie een bezoek brengt aan Eef Scheerder en hij beloofd wat te zullen schrijven voor dit boek, helaas komt hij te overlijden in Augustus 2001 zonder dat hij de kans heeft gekregen nog iets aan dit boek toe te voegen.

 

 

Joop v. d. Stelt / korporaal beheerder van het B.O.S. depot (brandstof en smering)

 

Was oorlogsvrijwilliger en woonde op het moment dat hij in militaire dienst gaat in de Emmastraat nr 21 te Voorburg, hij was in dienst bij het Staatsbedrijf der PTT toen hij zich aanmeldde voor vrijwillige dienstneming met de wetenschap dat de mogelijkheid bestond naar Indië te worden gestuurd, hij heeft wel gedurende hele militaire diensttijd zijn salaris bij de PTT doorbetaald gekregen, althans een groot gedeelte daarvan.

 

 

Victor Strack van Schijndel

 

Was dienstplichtig soldaat, geboren te Rotterdam op 10 Juli 1926 , op het moment dat hij in militaire dienst ging woonde hij aan de Centuurbaan nr 28 B, hij was het 6e kind uit een gezin met 7 kinderen. Groeide op in de Rotterdamse volkswijk Crooswijk, en had tot 1940  een onbezorgde jeugd, zijn wereld veranderde na de inval van de Duitsers. Hij maakte het bombardement van Rotterdam van zeer nabij mee, het ouderlijk huis ontsnapte aan de massale branden doordat op het laatste moment de wind draaide.

Door de oorlogsjaren veranderde het “spelen op straat” nog al drastisch, dat werd nu spelen in het puin en “ vlotjevaren ”  in de kelders van de verwoeste Amsterdamse bank aan de Coolsingel. Ook werd hier de term “ puinvoetbal “ geboren.

Tussen de bedrijven door werden de lagere en middelbare school doorlopen zonder al te veel problemen. Typisch was dat van de weinige gebouwen, die rond de Goudsesingel lagen en gespaard bleven, zijn school er één van was.

In 1944 kwamen de razzia’s op gang waardoor veel landgenoten aan de  “ Arbeitseinsatz “ ten offer vielen, maar met enig geluk wisten de ouders samen met Vic en zijn oudste broer daar aan te ontkomen en waren vanaf die tijd gedwongen onder te duiken. Daar kwam begin 1945 een einde aan toen Vic en zijn broer werden opgepakt en in het concentratiekamp Amersfoort belandden. Ondanks dit onfortuin hadden zij weer geluk want toen de trein hen naar het concentratiekamp Neuengamme zou vervoeren werden zij gebombardeerd, daardoor bleven zij de ellende van het concentratieleven bespaard en konden tot de bevrijding in Nederland blijven.

Na de oorlog volgde Vic nog enkele administratieve cursussen en werkte als boekhouder bij een Rotterdams transportbedrijf, en behaalde daar ook zijn rijbewijs. Op 7 November 1945 meldde ook hij zich in de Menno van Coehoornkazerne in de wijk Klarendal te Arnhem, en daar begon zijn militaire loopbaan.

Vic kwam terecht bij het 4e Bataljon Prinses Irene, en werd ingedeeld bij Ondersteunings compagnie, en wel bij het Infanterie pionierspeloton onder het commando de 1e Luitenant Kerssemakers. Na diverse opleidingen komt het Inschepingsverlof, en daarna inscheping op het m.s. Tabinta                                              

 

Harry Timmermans

 

Geboren op 24-03-1921, was Sergeant oorlogsvrijwilliger, m.t.o.o. Plaatsvervanger van 1e Luitenant A. v.d. Veen, op het moment dat hij in militaire dienst gaat woont hij in de Fuchsiastraat 154 in den Haag. Tijdens de 2e Wereldoorlog heeft hij deelgenomen aan het “verzet”.

Al in een vroeg stadium weet hij in Engeland te komen en meldt zich als O.V.W. er ( Oorlogsvrijwilliger ) in 1945 wordt hij ingedeeld bij de D.N.V.N. in Keseick alwaar een chauffeurs opleiding wordt gevolgd.

Daarna krijgt hij een technische opleiding voor alle militaire voertuigen, incl. rupsvoertuigen.

Terug in Nederland krijgt hij de rang van Sergeant en wordt in de Menno van Coehoornkazerne te Arnhem instructeur bij de M.T. van het 4e Bataljon Prinses Irene.

Met de rang van Sergeant gaat hij mee op de Tabinta naar voormalig Nederlands Indië, voor de M.T. manschappen is vanaf die tijd zijn roepnaam  Timmy, en wordt in het algemeen ervaren als iemand die niet op zijn strepen staat                                                                        

 

Tommy Tol

 

Was dienstplichtig soldaat, geboren op 1 Januari 1926 te Volendam, alwaar hij op het moment dat hij in militaire dienst ging woont in de Haringstraat nr 8. Het was ook een echt Volendam’ s gezin waar Tom deel vanuit maakte en bestond uit 9 personen, twee zussen, en twee broers liepen in de traditionele Volendamse klederdracht. De mannen van dit huishouden werkten allemaal in de vis.

Toen Tom een jochie van 12 jaar was ging hij als fietsjongen naar Amsterdam om daar de visbestellingen rond te brengen, dat gebeurde met een transportfiets met een grote mand voorop. Om bij de trappers te kunnen komen had men houten klossen aan de trappers gemaakt. Voor zo’n jochie viel dat niet mee, vooral in de winters die toen streng waren. Natuurlijk was het niet zo druk in die tijd.

De laatste jaren van de 2e Wereldoorlog werkte Tom in de visrokerij van Volendam. Ook zijn oudere broers werkten daar, maar bij een razia sliepen zij in de rokerij, maar soms ook wel in de eenden hokken even buiten Volendam, het stonk daar vreselijk, het slapen in de rokerij was dan toch even prettiger. Toen de oorlog was afgelopen kon Tom dus weer zijn oude werk in Amsterdam oppakken, maar zoals bij alle andere jeugdige personen was die tijd voorbij gegaan zonder daar enige vreugde aan te beleven.

 

Toen kwam de brief waarmee te kennen werd gegeven dat Tom gekeurd moest worden voor de militaire dienst, en later moest opkomen in Amersfoort bij het Artillerie Meetregiment, zoals de andere waarmee Tom later werd overgeplaatst naar Arnhem om te worden ingedeeld bij de Staf Compagnie van het 4e Bataljon Prinses Irene en bij de M.T. kreeg hij zijn chauffeurs opleiding.

 

 

Wim Uitentuis

 

Was dienstplichtig en woonde in Edam aan de Graaf Willemstraat Nr. 15 , toen hij in militaire dienst kwam. Zijn ouders waren veehouders en Wim werd daar op acht jarige leeftijd al ingezet om het melken te leren en toen hij die kunst onder de knie had moest hij voor- en na schooltijd helpen op de boerderij bij het melken. Dat betekende s’ morgens vroeg opstaan en s’ avonds bijtijds naar bed. De veestapel was niet groot, de twaalf koeien brachten amper genoeg op voor een gezin van vijf personen, daarom was vader Uitentuis begonnen met een kleine melkwijk onder de buren. Maar de melk was soms zo vers dat de vrouw van de bakker er zich soms over beklaagde en vroeg of de melk soms “Opgewarmd” was.

Wim en zijn drie jaar oudere broer Arian moesten om de beurt s’ avonds de melk bij de buren bezorgen, het was goed leven op de boerderij, s’ winters was het altijd lekker warm in de koeien stal en zomers waren zij vaak op het land, in de buitenlucht. De boerderij was echter gelegen midden in de stad Edam, daarom moesten ze op de fiets naar het land om te melken, het was maar tien minuten fietsen maar toch altijd bezwaarlijk met het oog op het slepen van de emmers en dergelijken. Over slepen gesproken, zomers moest het hooi van het land worden gehaald en naar Edam worden gebracht, dat ging met paard en wagen maar soms gebeurde dat ook wel eens met een z. g. koeboot, ook dat was een hele sleperij.

Zo ook als de koeien in de winter op stal stonden, dan moest de mest en de gier naar het land worden gebracht per paard en wagen, of soms per boot, als het ijs sterk genoeg was werd gebruik gemaakt van een grote slee met daarom een grote kist van ongeveer drie kub. inhoud . Wim en zijn oudste broer stonden dan op scherp door middel van een paar schaatsen, het is wel eens gebeurd dat het totaal gewicht van de slee te groot was en door het ijs zakte, dat gebeurde ook wel eens als de boot met teveel mest beladen was, die koeboot lekte ook een beetje waardoor deze al gauw te diep kwam te liggen. Ook werd het hooi soms met die boot binnen gehaald, dat was altijd een erg warme tijd, die begon in midden Juni en duurde in de regel tot half Juli. Het hooioogsten werd hoofdzakelijk met de hand gedaan, eerst het gras maaien, daarna keren en schudden, dan inharken en hopen maken. Wim kreeg samen met mijn broer Arian speciaal vrij van school om mee te helpen bij dit werk, de bezigheden die verband houden met dit werk, daarvoor is een speciale handigheid vereist, die hadden wij van jongs af aan geleerd en zij konden dan ook tegen een volwassen persoon op. Het thuis rijden van het hooi was altijd leuk, wij mochten dan boven op het hooi meerijden. Als het hooi wat vroeg in het jaar was binnen gehaald begon het wel eens te broeien en dat was een prettige aroma. Als het te heet werd moest er iemand bij komen met een speciale temperatuur meter, dan werd de temperatuur in het midden van de hooiberg opgemeten, en als deze te hoog was werd “Spitten” aangeraden om een e.v.  brand tegen te gaan. Er werd dan een gat gegraven midden in de hooiberg met behulp van een graaf, dat is een soort spade die in een punt uitliep en erg scherp was. Hoewel op jonge leeftijd moest worden bijgesprongen met al deze werkzaamheden ging Wim en zijn broer toch ieder jaar logeren bij een oom en tante, Wim ging dan een paar weken naar Alkmaar, en de broer naar Halfweg.

Maar voordat zij weggingen moest altijd het land worden geslecht, dat wil zeggen : De stront moest op hopen worden gebracht door middel van een “ Slechtvork ”, maar ook moesten wij nog “ Stekelen prikken “ dat hield in dat alle stekels uit de grond moesten worden getrokken.

De jongste zoon van het gezin was Cees, hij werd geboren in 1930, ondanks dat hij het melken ook op jeugdige leeftijd had geleerd werd hij niet zo vaak bij werkzaamheden op de boerderij aan het werk gezet, hij ging later naar de ULO en kreeg daardoor een baan op een kantoor.

Wim en zijn broer Arian verlieten de Openbare Lagere School op 14 jarige leeftijd en gingen toen full time op de boerderij werken. Ondertussen had vader Uitentuis zijn melkwijk uitgebreid tot een zaak in zuivelprodukten en had er zelfs een klein winkeltje bij, hij was niet meer nodig op de boerderij, want dat konden zijn twee zoons wel af. Wim was  na het verlaten van de lagere school een vier jarige cursus gaan volgen op de Landbouw winter school te Purmerend en slaagde voor zijn diploma. De boerderij was eigenlijk te klein voor een volledige dagtaak en daarom werd er ook gewerkt op omliggende boerderijen. Wim werkte ook als stoker op het Stoomgemaal waar het water op pijl werd gehouden. Dat was niet zo makkelijk met de spertijden die was ingevoerd tijdens de bezettingstijd. Het gebeurde wel eens dat het 14 dagen achter elkaar had geregend en dan moest er 24 uur per dag worden gemalen. Het probleem was dat er maar twee ploegen waren die om beurten 8 uur werkten, maar dat liep in de war door die sper tijd. Er werd toen overgegaan op 12 uur achtereen werken en dan 12 uur vrij, maar toen dat gebeurde was het alleen maar werken en slapen, en was iedereen blij toen er een regen vrije tijd kwam. Het werd later ook te gevaarlijk vér van huis te werken want als er onverwachts razzia’s kwamen werd het te link, thuis was er een geheime schuilplaats in het midden van de hooiberg en daar was het veiliger. Arian was in het bezit van een Ausweis, maar het was toch raadzaam uit de buurt van die Moffen te blijven.

Edam ligt midden in Waterland, dat betekend dat het land van de boerderij Uitentuis omringd was door grachten en sloten en er s’ winters volop gelegenheid was om te schaatsen. Na een paar goede nachtvorsten waren de gebroeders Uitentuis in de regel als eersten op het ijs te vinden. In de jaren 1940 - 1945 was Wim zo goed vertrouwd op de schaats dat hij de vijf dorpen tocht afreed, met afstanden van 60 - tot 120 km. De tocht van 120 km op 18-01-1942 was wel de zwaarste , het was gruwelijk bij zes tot acht graden vorst bij een felle Oosten wind.

Het was dan ook voor menig rijder niet haalbaar. De start was om 8 uur in de ochtend te Purmerend, het was nog donker, via Monnickendam ging het naar Edam en Hoorn, dan voor de wind Westwaarts naar Alkmaar, vervolgens naar het Alkmaardermeer in zuidelijke richting naar de Zaanstreek en tenslotte in het donker, tegen de wind in naar Purmerend.

Het bracht een medaille op maar die tocht zal men niet gauw vergeten. De gebroeders Uitentuis waren geen vreemden op sportgebied, zij waren ook lid van het Keurkorps Purmerend en omstreken dat in die dagen een hele eer was. Wim is dankbaar dat hij de sportactiviteiten altijd heeft blijven bijhouden, het heeft hem ook altijd goed gedaan.

Dat leven op de boerderij ging gedurende de Tweede Wereldoorlog gewoon door, hoe groot de problemen op het laatst ook werden, maar toen Wim zo 18 a 19 jaar werd zag hij eigenlijk weinig toekomst op die boerderij, hij zag er dan ook helemaal niet tegenop toen hij als dienstplichtig militair werd opgeroepen.  

 

Het zelfde verhaal als enkele voorgangers, ook hij kwam in dienst bij het Artillerie Meetregiment te Amersfoort om later te worden ingedeeld bij het 4e Bataljon Prinses Irene te Arnhem waar hij een chauffeursopleiding kreeg bij de M. T. van de Staf Compagnie.

 

Zoals bekend waren er in Arnhem weinig drie tonners ter beschikking voor de opleiding van de chauffeurs, een deel van de manschappen van de M. T. hadden al een burgerrijbewijs, voor die personen werd instructie gegeven hoe met militaire voertuigen moest worden omgegaan, in het algemeen golden ook andere gebruiksnormen dan in het burgerleven.”

Zo kreeg ik al gauw te maken met de rijinstructeur korporaal Derksen die mij in zijn Arnhems dialekt kwam vertellen dat we een stukje gingen Rije.  Er stond een ¾ tonner gereed en daar zou hij me het schakelen mee laten oefenen, want zoals hij zei was dat mijn zwakke kant.

Er werd begonnen op het exercitie terrein, daar moest ik op - en terug schakelen waarbij gebruik werd gemaakt van “ Dubbel clutschen en tussengas geven “, dat terugschakelen was het moeilijkst maar na een tijdje kreeg ik het aardig onder de knie en vond de instructeur het goed dat wij het kazerneterrein verlieten en richting Amsterdamsestraat op gingen, het ging verder zonder enig probleem, waarvoor nog bedankt Jan Derksen !

 

Het was in de winter van 1947 toen het verlof van Wim ten einde was en hij met het Boemeltje vanaf Edam naar Amsterdam zou gaan, Tommy Tol stapte in Volendam op en Wim uiteraard te Edam. Het had de laatste dag flink gesneeuwd en onderweg kwam er veel stuifsneeuw dat zich zo ophoopte dat de tram vast kwam te zitten. Lopend hebben ze toen het laatste stuk naar Amsterdam afgelegd, het was inmiddels nacht geworden en het was alleen nog mogelijk met een trein tot Utrecht te komen en daar in een kazerne te overnachten.

De volgende morgen schreef de Officier van Piket van de kazerne een bewijsje uit waarmee kon worden aangetoond dat die overnachting daar noodgedwongen had plaats gevonden, de conducteur van het tram had een bewijsje uitgeschreven. Bij aankomst in de kazerne te Arnhem werd er dan ook wel naar die bewijsstukken gevraagd.

 

Wim verteld verder:

Zo werd er ook in groepsverband geoefend, kort voor ons inschepings verlof kreeg Toon Baltus een rijopdracht om met Tommy Tol en mijn persoontje naar Groningen te gaan en daar te overnachten om daarna de volgende dag via Friesland, afsluitdijk, Noord Holland en Utrecht weer naar Arnhem terug te rijden. Dit moest een rijles worden vooral voor Tommy en mij, want Toon was immers al een geoefend chauffeur vanuit het burgerleven. Toon was dus ook verantwoordelijk. Het was echt een opdracht naar onze zin, het was de strenge winter van 1947 en mooi voorjaarsweer, er was in die tijd ook weinig verkeer op de weg, en om beurten zaten wij achter het stuur. Aangekomen in Groningen zochten wij de aangewezen kazerne op en gingen daar overnachten, dit leverde ook geen enkel bezwaar op. De volgende dag waren wij al vroeg op pad, wij hadden lunchpakketten mee gekregen voor onderweg. De rit verliep voorspoedig en op de afsluitdijk kwam het idee eerst maar naar Castricum te gaan, en daarna via Volendam en Edam naar Amsterdam, maar omdat dit teveel tijd in beslag zou nemen werd er maar besloten Castricum te vergeten en naar Volendam te rijden en thuis bij Tommy op de koffie te gaan, natuurlijk wist Tommy goed de weg en parkeerde de drie tonner vlak voor de deur van zijn ouderlijk huis, en dat versperde bijna de hele rijbaan. Bijna alle buren in de straat kwamen naar buiten om ons te begroeten, de koffie bij moeder Tol smaakte goed, er moest op z’n Volendams ook nog een koekie bij, dat betekend daar niet één koekie maar een hand vol !

Wij gingen eigenlijk veel te gauw weer weg maar moesten op onze tijd letten, nu moest ik achter het stuur en wij reden door de nauwe straten van Edam naar de Graaf Willemstraat, en ook hier hadden wij veel bekijks, want sinds de bevrijding had men hier zoiets niet meer gezien.

Vader Uitentuis was zo trots als een pauw en kon er bijna niet bij dat zijn zoon met zo, n kolossale wagen kwam aanzetten, hij was zelf vroeger ook in militaire dienst geweest en was daar ingedeeld bij de afdeling wielrijders, en was daarom trots dat zijn zoon het zover geschopt had. Ook hier werd weer spoedig afscheid genomen en het was Toon die ons naar Amsterdam bracht, dat was hem wel toevertrouwd ons door Amsterdam te rijden want in zijn burgerleven kwam hij daar dikwijls met de vrachtwagen. We reden langs de grachten en er was zeker markt geweest want men was de stalletjes aan het afbreken, hier en daar lagen dozen en kisten en overal stonden handkarren en bakfietsen zodat daar met moeite tussendoor was te komen. Ik merkte ineens dat er iets werd geraakt en zei : Toon je hebt iets aangereden en keek achterom. Niet omkijken zei Toon, doe maar net of je neus bloed, we rijden gewoon door en zo kwamen wij zonder verdere akkefietjes in Arnhem. Wij hadden een pracht rit gehad, alleen dat geval op die gracht in Amsterdam, maar misschien zouden wij daar niets meer van horen ? Echter een week later moest Toon op het matje komen bij onze M. T. O.  en die zei tegen Toon dat er een klacht uit Amsterdam was gekomen, en vroeg of hij daar ook was geweest want de klacht betrof het beschadigen van een handkar.

Ikke zegt Toon, wij zijn wel in Amsterdam geweest maar als dat zo zou zijn dan hadden wij het toch wel gehoord, dat heeft die vent uit zijn duim gezogen, die handkar was natuurlijk al beschadigd en die vent dacht ik neem gauw het registratienummer op en probeer de Regering voor de kosten te laten opdraaien. Wij hebben er nooit meer iets van gehoord, maar natuurlijk was er wel iemand gedupeerd !

 

 

Albert v.d. Veen

 

Was Reserve Officier / 1e Luitenant M. T. O.  geboren 18 Januari 1918 te Amsterdam / Buiksloot, tijdens zijn Indië periode is zijn huisadres in de Korte Mijdrechtstraat te Amsterdam.  Hij kwam in 1936 in militaire dienst en was Sergeant bij de Infanterie. Kreeg daarna zijn opleiding bij de K. M. A. en werd Vaandrig. Tijdens de 2e Wereldoorlog heeft hij ook in het verzet gezeten, daarover is nog een anekdote te vertellen. Tijdens één van die verzetsdaden had men voor het transport een vrachtauto nodig, er werd daarvoor in Amsterdam uit de garage van de firma D. P. de Rond een verhuiswagen ontvreemd en nadat de klus was geklaard plaatste men die wagen in de Staatsliedenbuurt, dat bedrijf waar die verhuiswagen toe behoorde was het zelfde bedrijf waar Jan Baas in dienst was en hij kan zich nog herinneren dat die bewuste wagen verdwenen was en na twee dagen terug werd gevonden in die buurt zoals beschreven. Na de oorlog, toen wij bevrijd waren, kwam v.d. Veen als reserve Officier in militaire dienst en kreeg zijn verdere opleiding in Engeland, waarna hij in 1946 geplaatst werd als M. T. O. bij het 4e Bataljon Prinses Irene en zoals alle anderen van deze groep in 1947 vertrok naar het voormalig Nederlands Indië                                                                                                    

Gijs Vermeulen

 

Was dienstplichtig soldaat en woonde in Huissen ( Gld.) op een boerderij, gelegen aan de G 77, hij is opgegroeid in de agrarische sector, zoals hij laat weten met veel plezier. Samen met ouders, zusters en broers waren zij dagelijks bezig met de hoofdtak van een gemengd bedrijf.

Zoals alle kameraden die in dit boek beschreven zijn moet ook hij er aan geloven en opkomen voor zijn militaire dienstplicht in November 1946, eerst wordt hij geplaatst in de Saksen Weimar kazerne voor een opleiding bij de infanterie, daarna komt ook hij bij de Staf Compagnie en wordt ingedeeld bij de M.T. waar een chauffeursopleiding volgt.

 

 

Ton Weterings

 

Was dienstplichtig korporaal automonteur en woonde op het moment dat hij in militaire dienst ging in de Rochussenstraat nr 107 in Den Haag, zat ook al tijdens zijn burgerleven in het automobielvak, kreeg in Indië de tijdelijke rang van Sergeant toen Sergeant de Jager naar Holland terug ging. Ton verteld over zijn levensbeschrijving, voor hij in militaire dienst kwam, het volgende:

Als jongste telg uit een gezin van 6 personen, t.w. twee oudere broers, en oudere zuster, groeide ik vanaf 1926 op in een Haagse volkswijk, Mijn vader was in dienst bij de Nederlandse Spoorwegen als rangeerder, en mijn moeder bestuurde het gezin. De jonge kinderjaren bracht ik door van 1930 t/m 1932 bij de zusters op de bewaarschool, zoals dat toen werd genoemd. Daarna kwam ik op een Katholieke lagere school, die ik weer verliet in 1939. Tijdens die schooljaren vroeg mijn moeder wel eens wat ik later wilde worden, en omdat in die tijd de auto’s en fietsen mij aantrokken, en vrachtwagens die onder anderen kettingaandrijving hadden, alsmede fietsen maar ook stoomwalsen die werden gebruikt voor de wegenbouw, was mijn keuze in die richting. Tijdens de vakantie op de lagere school reed ik vaak mee met een expediteur / bode dienst waarvoor ik s’ morgens rond half acht met mijn pakje brood al op het betreffende voertuig stapte en richting Lisse, IJmuiden, Beverwijk en Zaandam reed om ook bij alle tussenliggende plaatsen goederen te bezorgen. Ook hielp ik vaak bij het bezorgen van de Katholieke illustratie, bladen van Sjors en Frederik Fluweel. Daarna ben ik lid geworden van een voetbal vereniging, eerst speelde ik op de zaterdag maar in de hogere klassen ook op Zondag, maar pas na 12.00 uur want eerst was er de plicht om naar de kerk te gaan.

In mijn schoolrapporten stond vermeld dat ik graag voetbalde, dat kwam ook omdat ik vanaf de 5e klas tijdens de pauze van een kwartier altijd ging voetballen en dat gebeurde op het voet bal speelpleintje waar ik dan heen vluchtte, na dat speelkwartier kregen wij handenarbeid, maar het voetballen vond ik veel belangrijker. Op de route van school naar huis kwam ik langs mijn oom die schoenmaker was, die hielp ik dan met het poetsen van de schoenen, en ging die ook bezorgen, ik poetste ook altijd mijn eigen kaal getrapte schoenen zodat ik keurig thuis kwam. Bij dat voetballen trapte je ook wel eens een bal in een dakgoot, ik klom dan langs de regenpijp naar boven en ben ook wel eens door een politie agent gesnapt die mij met zijn Harley Davidson mee naar het bureau nam, want voetballen op de openbare weg was verboden. Mijn moeder die dan op dat moment meestal in de keuken bezig was met de maaltijd moest mij dan komen ophalen, en dat werd niet in dank afgenomen en leverde dan ook een pak slaag op, ik moest op de volgende vrije woensdagmiddag dan ook thuis blijven.

Na de lagere school te hebben doorlopen ging ik naar de Ambachtsschool, dat was in September 1939. Daarna brak ook de oorlog uit. De afstand van huis naar die school was zo ongeveer 3 km, en omdat ik tussen de middag naar huis ging maakte ik de wandeling 4 keer per dag, want een fiets hadden wij toen niet, dat was een luxe. Ik had dus gekozen voor het vak Automonteur / Rijwielhersteller waarbij ook het smid vak werd geleerd, daarvoor moest je tijdens je smeedbeurt op de pedaal van een aanjager trappen om zodoende het vuur aan te wakkeren. Je moest wel opletten dat het ijzer niet verbrande want dan kreeg je een oplawaai van de leraar, die ook bokser was. Toen ik mijn diploma had gekregen kwam ik in dienst bij de firma Beers in Rijswijk, dat was de dealer van de Diamond T. trucks en de JAWA motorrijwielen, tijdens de eerste periode kreeg ik de beschikking over een fiets, want na het werk moest ik ook nog naar de avondschool. Het werk in die garage bestond toen hoofdzakelijk uit het monteren, c.q. plaatsen van gasgeneratoren die gestookt werden met hout en antraciet. Daarvoor moesten ook de nodige filters en andere apparatuur worden aangebracht, ook werden er met de hand asbest pakkingen vervaardigd. Als er tijdens werktijd de sirenes gingen loeien ten teken dat het luchtalarm was dan moesten wij uit die omgeving weg vluchten omdat naast ons bedrijf de vliegtuig fabriek was van Pander, en dat kon altijd een doel zijn om daar te bombarderen. Er reden enkele trucks voor de voedsel voorziening, de overige werden in de loop van de tijd door de bezetter in beslag genomen. Wij kregen middag eten in het bedrijf en dat werd gehaald bij de gaarkeuken, dat gebeurde met de bakfiets hetgeen wij om beurten moesten doen. Na etenstijd moesten de gamellen worden schoongemaakt en terug gebracht naar die gaarkeuken, ook moest het bestek en de borden worden schoongemaakt en netjes opgeborgen, ieder kreeg eens in de vier weken een beurt. Een bijzonder detail wil ik nog vermelden, als je b.v. een boortje brak tijdens het boren werden de kosten van je loon afgehouden, dat was zo ongeveer 35 cent. Op Dolle Dinsdag, dat was op 5 September 1944, werden de voertuigen die in de garage stonden door het personeel onklaar gemaakt en toen begon een tijd van onderduiken, dat was een slechte periode, velen moesten zich schuil houden tot na de bevrijding.

 

In aanvulling op dit verhaal wil Jan Baas nog even het volgende kwijt, zoals hij eerder heeft beschreven was hij in dienst bij een Internationaal Transport bedrijf, dat bedrijf had in het begin van de oorlog al een Diamond T truck gekocht bij Beers, en na de oorlog gebeurde dat nog vijf keer, toen Beers ook de dealer van de Scania Vabis werd leverde zij ook een serie van dit merk, later werd het merk veranderd in Scania, dit bedrijf was dus het zelfde bedrijf waar Ton zojuist over heeft geschreven, en nu wil het geval dat Jan Baas daar ook vele dagen heeft doorgebracht om de aangekochte nieuwe trucks gereed te maken, en aan te passen voor het Transportbedrijf waar hij werkte, daarna bracht hij de chassis naar carrosserie bedrijven voor de opbouw, maar dit alles gebeurde natuurlijk nadat Ton daar niet meer in dienst was.

 

In die oorlogsjaren hadden de Nederlandse militairen veel indruk op Ton gemaakt, ook zijn ooms werden als buitengewoon dienstplichtigen opgeroepen om het land te verdedigen, zij moesten nabij de Moerdijk in stelling gaan. Na de bevrijding kregen wij te maken met onze bevrijders, daar had Ton veel aandacht voor, ze werden ook met veel gejuich binnen gehaald.

Ton schrijft verder: In Augustus 1945 ben ik van werkgever gaan veranderen en kwam bij de firma Blansjaar, die later ook de eerste Nederlandse D.A.F. dealer werd. Mijn loon was toen f.27.50 per week, het waren 6 werkdagen, tegen de tijd dat ik werd opgeroepen voor de militaire dienstplicht was mijn loon f.32,50. Er werden in dat bedrijf alle merken gerepareerd, zowel luxe als vrachtwagens. Ongeveer in September 1945 kreeg ik kennis aan mijn meisje, dat later mijn echtgenote werd. Ik was op dansles en na vele dansmiddagen kreeg ik veel aandacht van haar, zij was altijd vergezeld van haar zus en van enkele vriendinnen. Op de vervolg cursus in December 1945 kreeg de vriendschap die wij hadden gekregen meer betekenis en heb haar toen voor het eerst alleen thuis gebracht, die avond zal ik nooit meer vergeten.

Ik had nl.. op die avond mijn lesgeld betaald en dat was mijn hele rijkdom zodat ik zogezegd blut was. Ik was dat vergeten en toen ik terug naar huis ging en bij de tramhalte kwam ontdekte ik dat, zodat ik geen tramkaartje kon kopen en in de nachtelijke uren een wandeling van een uur moest maken. Maar Antoon was verliefd, en wat was hij nog een groentje !

Tijdens die verkering heb ik haar nog dikwijls naar huis gebracht met de tram, maar had toen wel altijd geld op zak.                                    

En zo werd het 7 November 1946, er was een oproep gekomen met een treinkaartje om met de eerste reisgelegenheid na 07.00 uur naar Arnhem te gaan en me daar te melden in de Menno van Coehoorn kazerne. Rond half elf ging ik langs de administratie en daar werd mij verteld waar ik bij was ingedeeld. Je kwam op een kamer waar je je eigen spullen kon opbergen, er werd je een uniform verstrekt met schoenen enz. Je moest nog een medische keuring ondergaan, en er werden bepaalde orders gegeven, zo dat we voorlopig geconsigneerd waren, en dus binnen de kazerne moesten blijven. Zo verstreken de eerste weken, het was exerceren, uitleg over de grondbeginselen van de krijgstucht, en niet te vergeten marsoefeningen. In het tweede week end met een vrij vervoer op zak na 12.oo uur in groepsverband, met gesloten boord, naar het N.S. station, wat een gedril en geschreeuw.

Na 6 weken kwam de overplaatsing naar Utrecht waar we in de Kromhoutkazerne een cursus volgde voor automonteur, echter de opvang was in Fort de Bilt. dat was een oud Fort dat voor de oorlog had gediend voor de Cavalerie , beneden de paarden en boven de hooizolder

Na de bevrijding had het gediend als opvang van de N.S.B ers, en er was nog de prikkeldraad afzetting te zien. Er was geen electriciteit, en ik kreeg op de hooizolder, met nog een man of vijftig, een plaatsje in een stapelbed aangewezen. In het midden stond een grote potkachel, deze was roodgloeiend en het enigste lichtpuntje. We kregen van de fourier een strozak die wij zelf moesten vullen. Nadat dit alles was gebeurd heb ik een praatje gemaakt met een Sergeant die buiten gewoon dienstplichtig was en afgesproken dat ik naar huis zou gaan en mij de volgende ochtend weer zou melden vóór tien uur, de prijs van de rit naar den Haag was voor half geld f.1.= Dit heeft zich enige dagen voor gedaan, daarna begon de Kerstvakantie en begon de dienst pas weer in Januari 1947, er volgde een zware winter, het vroor s’ nachts 17 graden, en alle waterleidingen waren bevroren. We moesten vanaf dat Fort lopende naar de Kromhout kazerne, ongewassen en dik onder de sneeuw, en daar kregen wij ons eten. Het was een waardeloze organisatie en we werden daarna op een zaal geplaatst waar je je kuchie kreeg aangereikt met de thee in je messing (drinken en etensbakje) Je moest lopend over het midden van de tafel een plaatsje zoeken om in de kou van je ontbijt genieten.

Deze opleiding heeft ongeveer 6 weken geduurd en na terug komst in Arnhem werden wij in het nieuwe gedeelte van de Menno van Coehoorn kazerne geplaatst, daar kregen wij andere lessen zoals in het Maleis en wapen kunde, ik werd toen ook bevorderd tot soldaat eerste klas.

Er volgde toen een periode met vele inentingen, ik werd twee weken voor het inscheping verlof ook nog bevorderd tot korporaal waar ik financieel beter van werd, en toen kwam de dag dat wij naar het goederen station in Arnhem gingen en de treinreis gingen maken naar Amsterdam. Daar werden wij ingescheept op het M. S. Tabinta, daarover verteld Ton Weterings later meer

 

 

 

Een apart verhaal over de uitzending van dienstplichtigen militairen naar Indië

 

In die tijd was dat het gesprek van de dag en de kranten stonden er vol van.  Zo ook de tekst:  Er   waren er   die Niet gingen !

In alle aandacht die in de zomer van 1947 is geschonken aan de politionele actie, is een aspect buiten beeld gebleven:  Het verzet van dienstplichtigen en burgers tegen deze actie. Vele dienstplichtigen wilden niet gaan. Zo’n vierduizend van hen voegden de daad bij het woord.

Furieus was de legerleiding, toen op 17 September 1946 slechts 62 procent van de dienstplichtigen van het eerste contingent van de Zeven December - divisie, na het inscheping verlof terugkeerde bij zijn onderdeel. Hele slaapzalen in kazernes in het noorden van het land bleven leeg. Een “Desertie” van die omvang had men ins ons land nog nooit meegemaakt. De toenmalige Luitenant - Generaal H. J. Kruls richtte zich via een radio uitzending tot het Nederlandse volk met een ernstige waarschuwing die luidde als volgt:

 

De wegblijvers hangt de hoogste straf die op “Desertie” staat boven het hoofd, Zeven en een half jaar gevangenisstraf !

 

Kruls liet weten dat de dienstplichtigen die onverwijld naar hun onderdeel zouden terugkeren die heel ernstige straf, die hun leven zou verwoesten, zouden ontlopen, zo ook:

 

Begrijp mij goed mannen, dit geldt slechts voor één keer, slechts voor die groep wier inscheping verlof deze week eindigt.

 

De Generaal eindigde zijn boodschap met de woorden:

 

De wrekende arm der gerechtigheid zal u zeker grijpen, is het vandaag niet dan is het morgen.

 

In deze periode begon ook meteen de Militaire Politie een klopjacht, soms ook geholpen door de plaatselijke politie. Zo gebeurde het dat toen op 22 September het inderhaast voor troepen transport ingerichte passagiersschip de “ Boisevain” van de Koninklijke Pakketvaart Maatschappij naar Indië vertrok er 15 procent ontbrak van de dienstplichtigen soldaten.

Het gebeurde ook dat op 22 September tienduizenden Amsterdammers mee deden aan een protestdemonstratie, de politie, waaronder agenten van de in de Duitse tijd opgeleide Schalkhaar Brigade, trad hard op en schoot zelfs met scherp, waarbij een demonstrant werd gedood. Er werd op de dag van 22 September, toen er een afvaart was van een troepentransportschip, massaal gestaakt in Amsterdam, op twee na bleven alle trams en bussen in de remises, ook andere gemeente bedrijven volgde dit voorbeeld, zo lag ook het werk stil in de havens, bij metaalbedrijven en op scheepswerven.

Ondanks de dreigende taal van de Minister van Overzeese Gebiedsdelen ontbraken er bij het tweede transport van de Zeven December Divisie weer 22 procent van de dienstplichtigen.

Nog een ander verhaal dat weinigen hebben geweten was dat toen in 1947 het m.s. Sloterdijk onderweg was naar Sumatra ergens in de Indische Oceaan een opstandige groep van dertig a veertig dienstplichtigen de Kapitein dwongen het roer om te gooien en terug te stomen naar Nederland, die groep is toen overmeesterd.

Uit dit hele verhaal blijkt wel hoe velen negatief stonden tegenover het uitzenden van dienst- plichtigen militairen, het ging in hoofdzaak ook niet tegen de Dienstplicht, maar tegen een Koloniale Oorlog. Maar al het verzet heeft niets geholpen, de toenmalige Minister President Beel was het eens met het sein dat de Eerste Politionele Actie was aangebroken, dat was in de nacht van 20 op 21 Juli 1947, Java tijd. Die actie had de toepasselijke naam: Operatie Product, hetgeen inhield, het terugwinnen van economisch belangrijke gebieden, waar de koffie, olie en suiker werd gewonnen.

Later is ook bekend geworden dat er van de circa vier duizend Indië weigeraars er in de loop der jaren 2600 zijn gearresteerd, zij zijn veroordeeld tot gevangenisstraffen die varieerden van twee maanden tot vijf jaar. Zelfs de ouders die thuis hun zoon lieten onderduiken moesten na ontdekking bij de rechter verschijnen. Nog veel erger is te moeten vernemen dat oud S. S. ers gratie kregen door naar Indië te gaan, en deze figuren in Indië in ons midden hebben gezeten zonder het te weten !

De vervolging van de Indië weigeraars is gestopt in 1958.

 

           

 

Inhoud   


Hoofdstuk 03

 

Inscheping, Bootreis en aankomst te Semarang

 

Bij het krieken van de dag op 4 Juni 1947 marcheert het 4e Bataljon Garderegiment Prinses Irene door de Arnhemse straten op weg naar het N. S. Goederenstation, met twee afzonderlijke treinen wordt de reis gemaakt naar Amsterdam, elke plaats waar voorbij wordt gereden en waar één of meer militairen wonen die zich in de trein bevinden daar staan familieleden en vrienden te zwaaien, zo ook aan de Javakade waar iedereen uit de trein stapt en via de grote loods wordt geleid en waar notities worden gemaakt om zich daarna te gaan inschepen op het m.s. Tabinta die daar aan de kade ligt afgemeerd, het is een vrachtschip van 10.000 Brt. dat is omgebouwd tot troepen transportschip, het bouwjaar is 1930

 

Het is wel even goed om stil te staan bij het hetgeen hier gaat gebeuren, in de tijd dat we dit schrijven is het de normaalste zaak van de wereld dat er reizen worden gemaakt naar de andere kant van de aarde, maar in 1947 beleven deze jonge kerels het zomaar uit hun eigen omgeving te verdwijnen om een reis te gaan maken naar het onbekende, velen van deze jongens waren voor zij in militaire dienst gingen nog nooit buiten hun eigen woonomgeving geweest.

 

Een militair muziekkorps brengt marsmuziek ten gehore tot het moment van vertrek is aangebroken, dan wordt het Wilhelmus gespeeld. Op de kade waren verscheidene hoge Officieren aanwezig, waaronder ook de Chef Gen. Staf, de Luitenant Generaal Kruls.

 

Als op 16.05 uur de trossen zijn losgegooid en het schip zich los maakt van de kade is de lange reis begonnen, omringd door vele bootjes met familieleden en vrienden aan boord gaat de reis over het IJ naar het Noordzeekanaal, halverwege IJmuiden bij Buitenhuizen wordt nog een ligplaats ingenomen om daar s’ avonds de munitie in te nemen die meegaat naar Indië. Op de wal stonden veel uitzwaaiers, en dat gebeurde nog eens in de sluizen van IJmuiden. Daarna volgt het schutten in de sluis van IJmuiden en daarna begint de zeereis van ruim 8600 zeemijlen, hetgeen neerkomt op ongeveer 16.000 kilometers. Op de Noordzee varend kan nog een laatste blik op het vaderland worden geworpen, en niemand van het Bataljon weet hoe lang het duurt voordat de terugreis wordt gemaakt, en ook de vraag of zij terug komen ?

 

Ton Weterings schrijft hierover het volgende:

Wij van de Staf Compagnie kregen op de Tabinta een plaats aangewezen in het voorste ruim van het schip, en helemaal in het onderste gedeelte van dit oorspronkelijke vrachtschip dat was omgebouwd tot troepencarrier. We sliepen in een soort hangmatten met drie personen boven elkaar, mijn maatje Dick Broekhuizen was mijn slapie. Veel ruimte hadden wij niet want als iemand onder je zich omdraaide dan was dit goed te merken. Het vertrek staat mij nog goed bij, marsmuziek, de stoomfluit en een kade vol uitzwaaiers. Zo voeren wij het IJ van Amsterdam op, zijdelings voeren allerlei bootjes mee met aan boord uitzwaaiers, en zo kwamen wij in de avond aan in Buitenhuizen waar in het Noord Zeekanaal werd aangemeerd om daar nog munitie in te nemen. Daar stond het op de wal ook vol met uitzwaaiers, en dat gebeurde daarna nog eens in de sluizen van IJmuiden, toen de sluisdeuren weer open gingen was de weg vrij naar de Noordzee en was de zeereis begonnen, maar van slapen kwam die eerste nacht niet veel, deels door de bewegingen van de golfslag, de ongewone slaapplaatsen en de emotie van de afgelopen dagen, zoals het afscheid. Van zeeziekte kreeg ik weinig last, twee neven hadden gevaren op de Holland - Amerika lijn en hadden mij de raad gegeven om te trachten zoveel mogelijk in de buitenlucht te blijven, en ondanks het katterige gevoel toch goed te blijven eten, ik heb dan ook niet hoeven overgeven. De sanitaire voorzieningen waren slecht, en bij hoge golfslag spoelde alles over de vloer. Aangaande het eten daar viel niets op aan te merken, dat smaakte goed. De bemanning bestond grotendeels uit Laskaren en die kon je onmogelijk verstaan, zij hadden ook een eigen keuken en de geur die daar vandaan kwam was prima. Dagelijks verscheen er een Scheepskrant waarmee o.a. de temperatuur, afgelegde mijlen van die dag en meer van die gegevens bekend werden gemaakt. Er werd in groepen gegeten in een eetzaal want het aantal opvarende was te groot om tegelijk aan tafel te gaan.

Wij moesten ons s’ morgens op het dek verzamelen voor het ochtend appél en dan werden ook de mededelingen gedaan wat er zoal op die dag zou worden gedaan. Voorlopig zal er af en toe een kust te zien zijn, eerst de krijtrotsen van Engeland, en in de Golf van Biskaje staat een flinke golfslag en dan ontstaat voor vele de beroerde zeeziekte.

Het verdere verloop van de reis staat beschreven in het volgende verhaal van Jan Baas over zijn persoonlijke belevenissen, maar ook anderen zullen daar zeker op terug komen, zoals het nu volgende van Victor Strack van Schijndel, die met Vic wordt aangesproken. Hij behoorde toen nog niet bij de Staf Comp. maar bij de Ost. Cie, zoals reeds eerder is beschreven.

Vic heeft n.l. een dagboek bij gehouden tijdens zijn militaire leven en kan hierdoor veel herinneringen ophalen, waarbij ook datums een grote rol spelen, daar hebben wij dan ook dankbaar gebruik van gemaakt.

Zo laat hij weten dat de Ost. Cie. gedeeltelijk op de Tabinta is ondergebracht in het onderste tussendek dat was gelegen in het voorschip, naar zijn mening waren de bedden, die hij Standies noemt, niet slecht en lagen zij met drie man boven elkaar. Hij beschrijft het vertrek als een trieste bedoening, zo mochten er geen burgers op de kade komen om hun geliefden uit te zwaaien, dat werd wel gedaan middels vele kleine bootjes die rondom de Tabinta meevoeren. Hij vond de stemming aan boord niet slecht, maar er mag toch wel vermeld worden dat daar ook anders over werd gedacht, althans dat is de mening van Jan Baas.

Vic beschrijft dat er op volle zee een ontmoeting was met de Karel Doorman, die aan ons een goede reis en beste wensen doorseint, zo helpt Vic ook nog in de eetzaal omdat het eigenlijke personeel onvindbaar is, hij heeft ook tijdens de avonduren vaak naar de sterren zitten kijken, het was verbazingwekkend hoe helder de Poolster, Grote - en Kleine Beer aan de hemel stonden.

 

Aan boord van het m.s. Tabinta zal ook militaire politie zijn taak moeten uitoefenen, zoals in de nacht patrouilleren door de ruimen waar al die militairen liggen te slapen. Er is een detachement M. P. van de Koninklijke Marechaussee aan boord die deze taak moet uitvoeren en zij worden bijgestaan door de Regimentspolitie van het 4e Bataljon Prinses Irene, waarover reeds eerder is geschreven. Deze scheepspolitie is vier dagen eerder aan boord gegaan om het schip te leren kennen, maar ergens is er weinig gedaan om die kennis bij te brengen, tijdens deze vier dagen was Jan Baas meer thuis dan op het m. s. Tabinta. Hij heeft het dan nog steeds erg moeilijk met de wijze waarop hij onder de wapenen is gekomen, en is zelfs nog naar Militairen zaken in de Handboogstraat te Amsterdam geweest ter informatie of er nog iets bekend was geworden aangaande zijn z.g. staat van dienst als Buitengewoon Dienstplichtig, maar men beweerde dat er bij naspeuringen nog niets was gevonden, met een schijnheilig gezicht werd gezegd, althans in woorden van gelijke strekking :  Als inderdaad mocht blijken dat U onrechtmatig naar Indië bent gezonden dan krijgt U onmiddellijk bericht en zullen wij er voor zorgen dat U direkt weer naar Holland komt.

 

Als dan het m. s. Tabinta zijn reis over het IJ begint staat de vader van Jan Baas aan het Stenen Hoofd te zwaaien, hij ziet in de verte ook het bedrijf waar hij in dienst was, de woorden die worden geroepen door zijn vader zijn onverstaanbaar. Jan gaat daarna aangeslagen naar zijn slaapplaats maar weet niet dat zijn vader nog naar Buitenhuizen gaat, waar wij later afmeren. Pas als het schip door de sluizen is en de Politiedienst begint komt Jan weer op het dek en heeft lange tijd op het voordek gestaan waar hij de Nederlandse kust zag verdwijnen. Dan beginnen de ellendige nachtdiensten waarbij door al die ruimen moest worden gelopen als bewaking, maar ook uit brandbeveiliging. Je liep dan tussen die slapende militairen die met drie , en soms met vier, boven elkaar lagen in een soort hangmatten.

De stank was ondraaglijk en je was opgelucht weer op het dek te staan en frisse lucht kon inademen. Vooral in het voorste deel van het tot troepencarrier omgebouwde vrachtschip, waar ook de toiletten waren, dreef het vuil over de vloer.                                                              

De volgende dag krijgen we een deel van Engeland te zien, en het eiland Wight met de witte krijtrotsen.

Wij waren gewaarschuwd voor zeeziekte, de beste remedie was de maag vol zien te houden met droge en vetvrije kost, en daar zorgde wij wel voor als wij in de kombuis kwamen, ik heb ook geen hinder gehad van die ziekte. Het was geen pretje als dat je overkwam, dat gebeurde al in de Golf van Biskaje.

De reis gaat daarna langs de Spaanse en Portugese kust en als Kaap St. Vincent voorbij wordt gevaren staat de hele meute aan dek om die mooie witte vuurtoren te zien. Daarna komt Gibraltar in zicht, er wordt geattendeerd op de Apenrots, en aan stuurboord blijft voortdurend de Noord Afrikaanse kust in het zicht. Het klimaat wordt milder en ook de Middellandse zee is redelijk rustig. Dan wordt Port Said aangedaan voor het innemen van proviand en brandstof, het grote standbeeld van Ferdinand de Lesseps komt in het zicht, kooplui in kleine bootjes proberen allerhande spullen aan ons te slijten, dat gebeurt via een omhoog geworpen lijntje waaraan de koopwaar wordt bevestigd.                                                                                           

Ton Weterings verteld hierover nog het volgende, die kleine bootjes van de kooplui die rondom de Tabinta lagen hadden allerlei snuisterijen bij zich, alle gesprekken vonden plaats in de Engelse taal die slecht door ons werden verstaan, maar als er begrepen werd om welk artikel en welke prijs het ging dan werd er een lange lijn naar boven geworpen waarmee de transaktie zou kunnen plaats vinden.

Grote hilariteit ontstond er als men niet tot zaken doen kwam omdat de prijs te hoog was of het artikel toch tegen viel, en de omhoog geworpen lijn aan de railing werd vastgebonden. Er werd ook beweerd dat er horloges zijn gekocht waarvan achteraf bleek dat er geen uurwerk in zat.

 

Vic van Schijndel heeft ook zo’n verhaal over Port- Said, hij weet dat die kooplui in hun kleine bootjes de hele nacht door zijn gegaan om van hun koopwaar af te komen, de artikelen die eerst met veel te hoge prijzen werden aangeboden dat waren: dadels, sugarpindah, olienoten, meloenen. tassen, portefeuilles, schoenen, polshorloges en veel andere rommel.

Voor een langwerpige doos dadels werd eerst drie gulden gevraagd, maar dank zij de geweldige handelsgeest van de Hollanders zakte die prijs uiteindelijk naar vijftig cent, zo kocht Vic een geweldig grote meloen van wel 35 centimeter doorsnede, en ook vier dozen dadels.

Hij kocht die meloen samen met Wim Leijten, die op de Tabinta onder hem lag, maar toen ze amper met hun handel op het voordek waren aangeland wilde iedereen een schijf meloen kopen voor á raison van twee dubbeltjes, zodat de onkosten snel waren gedekt.

 

Om even een voorbeeld te geven wat er dagelijks aan voedsel op deze schuit soldaat werd gemaakt komen hier de volgende cijfers: 1500 kg aardappels, 500 kg bloem voor het bakken van brood, 400 kg blikgroenten, 350 kg vlees en vleeswaren, 200 kg suiker, 100 kg boter, 50 kg koffie, en 500 kg ingeblikt melk, aangaande deze producten werd daar later in de rimboe met heimwee op terug gekeken. Uiteraard was het er dagelijkse corveedienst voor het schillen van de piepers, het was toch ook een goed tijdverdrijf want de verveling slaat gauw toe tijdens zo’n lange bootreis, de geest van onderlinge verdraagzaamheid en aanpassing heeft ook veel te lijden aan deze omstandigheden. Het was dan ook een goede oefening voor de komende jaren dat wij op elkaar waren aangewezen

 

De reis gaat daarna verder door het Suez kanaal dat vooral bij de ingang vrij smal was, er lagen ook nog schepen die tijdens de 2e Wereldoorlog tot zinken waren gebracht, en als langs de Bittermeren wordt gevaren zien wij Duitse krijgsgevangenen die door Engelse militairen worden bewaakt. Omdat er in het kanaal twee schepen elkaar niet kunnen passeren zijn er op geregelde afstanden uitwijkplaatsen. Dan komen wij op de Rode zee en het kwik begint al aardig te stijgen.

In het scheepsjournaal wordt vermeld dat de temperatuur 110 graden Fahrenheit is, maar eenmaal op de Indische Oceaan wordt het weer aangenamer, er is dan dagen lang niets anders te zien dan de Oceaan, de zon, de sterrenhemel en zo nu en dan een passerend schip, ook wel troepentransportschepen met lotgenoten aan boord die de andere kant opgaan, dus richting Holland. Uiteraard zijn dat ook veel burgers die veel al in concentratiekampen hebben gezeten tijdens de Japanse bezetting van Nederlands Indië, en weer terugkeren naar hun Vaderland. Voor de boeg van het schip zijn vaak potvissen te zien en het lijkt wel of zij ons de weg willen wijzen. Er is ook een dagelijkse controle op de slaapruimte enz. door de dienstdoende Officier. Ook wordt er regelmatig appél gehouden want het zou natuurlijk altijd mogelijk zijn dat er iemand over boord is komen te vallen.               

Op de Indische Oceaan krijgen we nog te maken met een motorstoring. Er moet een nieuwe zuiger in de hoofdmotor worden geplaatst, door de te intensieve vaart die er met de troepenschepen wordt uitgevoerd zou die schade zijn ontstaan, het was erg interessant die reparatie bij te wonen Het was ook niet een zuigertje zoals in onze automotoren wordt gebruikt maar het ding moest worden getakeld, uiteraard kon niet iedereen even in die machinekamer gaan kijken.

 

Als de motor weer in orde is wordt de zeereis vervolgt en krijgen we weer te maken met een andere belevenis, nl.. het passeren van de Evenaar. En volgens goed zeemansgebruik moeten de landrotten dan gedoopt worden, hetgeen met veel ceremonieel zal plaats vinden.

 

In die periode raakt de zoetwatervoorraad op en moest men zich wassen met het zoute zeewater, daarvoor werden er stukken speciale zeep verstrekt, je kon niet zeggen opgefrist te zijn na zo’n wasbeurt.

 

Via de scheepskrant is iedereen al een beetje in kennis gesteld aangaande het passeren van de Evenaar, zo zou de dag voor het doopfeest Davy Jones en zijn piraten om 16.00 uur aan boord komen, deze Davy Jones is de vertrouweling van Z.M. Neptunus  en  is  verloofd  met  Z. M.            ’s lieftallige dochter Atlanta, zij bevoer een wonderlijk schip, nl.. de “Piratenvreugd en bloedfestijn” Een half uur voordat Atlanta aan boord komt moet het hele voorschip vrij zijn van de “Stinkende landrotten”, en dat waren wij natuurlijk. Als Davy Jones met zijn Piraten aan boord zijn gekomen worden zij plechtig ontvangen door de gezagvoerder van het m.s. Tabinta, waar ook bij is de eerste Officier van het troepentransport, en alle detachement - commandanten.

De volgende dag moet dan de officiële doopplechtigheid plaats vinden.

 

Om het verhaal van deze plechtigheid even te onderbreken het volgende, enkele leden van de Scheepspolitie hadden in geuren en kleuren al vernomen wat er zich ging afspelen. Zo stonden er nabij de kombuis vele vaten van 200 liter inhoud klaar die waren gevuld met “stinkende etensresten” en die waren opgespaard voor die doopplechtigheid, de lichamen van die stinkende landrotten zouden daarmee besmeurd worden

 

 

en dat leek geen aangenaam vooruitzicht. Er is toen tijdens de nachtdienst besloten een stel van die vaten overboord te gooien, dat viel niet eens mee maar tot ieders verbazing stonden er tijdens de ochtenduren al weer nieuwe gevulde vaten klaar, misschien iets minder stinkend maar toch smerig genoeg.

 

Om nu verder te gaan, rond 08.00 uur komt Z.M. Neptunus persoonlijk aan boord en dan kan de plechtigheid beginnen, alle landrotten worden dan gedoopt met een mengsel van rotte kaas, bedorven melk en eieren, havermout, stroop, aangemaakt met zout water. Er is op het dek een groot zeil gespannen en daar moest onder door worden gekropen, onderwijl werd daar met stokken op losgeslagen, daarna werd iedereen met zeewater via de brandslangen weer af gespoten.

Die avond wordt het Diploma uitgereikt aan hen die deze doping heeft ondergaan en is men  gerechtigd het rijk van Z.M. Neptunus binnen te varen. Omdat een stel leden van de Scheepspolitie die nacht dienst hadden gedaan, ook Jan Baas, waren zij vrij en ontkwamen aan het grote spektakel.

 

Op 28 Juni 1948, na 23 dagen varen, komen we aan te Sabang, een eiland nabij Sumatra. In de baai wordt afgemeerd en onder bepaalde voorwaarde mogen wij aan wal en maken voor het eerst kennis met de tropen. Op dit eiland is een krijgsgevangen kamp waar bewaking is van de Koninklijke Marechaussee, en zij sturen enkele voertuigen om de leden van hun eigen korps, maar ook van Scheepspolitie, op te halen voor het bezoeken van hun kamp.                                                 

 

Het was toen nog steeds niet bekend wat onze eindbestemming was, maar eigenlijk waren wij een beetje op de hoogte want er werd verteld dat wij in de omgeving van Bandung zouden komen, maar later kwam er weer een ander verhaal, het zou Semarang worden, en dat bleek ook waar te zijn. Daar is geen haven en moest voor anker worden gegaan op de rede.

Met landingsvaartuigen werden wij aan land gebracht, dat was geen pretje want het was bloedheet.

 

Zo laat Joh. Boekestijn nog weten het een verschrikking te hebben gevonden op de landingsboten waarvan het staal gloeiend heet was door de brandende zon, het was wel meteen de vuurdop in de tropen.

 

Met muziek werden wij verwelkomt als onderdeel van de 2e Palmboom Divisie, en  er  werd  ons  limonade met een sinaasappel  aangeboden. De Staf Compagnie gaat op A. A. T. trucks naar de Djoernatan kazerne. Ton Weterings kan zich die rit nog goed herinneren hetgeen hij zag van de kampongs waar langs werd gereden, hij zag de armoede die was ontstaan door de Japanse bezetting.

 

Aangekomen bij de Djoernatan kazerne, waar onze kwartiermakers in een korte periode zo veel mogelijk hadden gedaan ( want zij waren eerst naar West Java gezonden ) zagen wij daar vele mensen gekleed in jute zakken die stonden te bedelen voor het eten dat was overgebleven van de aanwezige militairen, en dat werd alleen maar erger toen wij daar met velen gelegerd werden. Die mensen waren ook volkomen vervuild en vooral de kinderen zaten vol met hoofdluis. Het waren onmenselijke gewaarwordingen waar wij het allemaal zeer moeilijk mee hadden.

Zoals juist beschreven, was er voor de kwartiermakers maar een korte tijd geweest om die kazerne bruikbaar te maken, alles was schoongeveegd maar het gebouw met één verdieping was zo goed als leeg. Er kwam al snel een handige Chinees die misbruik maakte van onze onervarenheid in dit deel van de wereld en zijn hulp aanbood om het vuile wasgoed te verzorgen, uiteraard tegen een afgesproken prijs. Alles werd keurig per compagnie gesorteerd meegegeven, maar het kwam nog vuiler en volkomen ongesorteerd terug, bovendien was er ook veel verdwenen.

Er werd nog een “ Mobiele wasserij “ ingeschakeld maar dat had tot gevolg dat er bij terugkomst tal van kledingstukken van een ander onderdeel aanwezig waren, zoals van de A.A.T. en de Stoottroepen. Maar toen bleek al snel dat er niets boven een Baboe ging, en voorzover het de Stafcompagnie betrof hield Kapitein de Paauw daar strenge controle op. Het is ook tijdens ons hele verblijf in Indië gebleken dat de Baboes voor de persoonlijke verzorging onmisbaar waren.

De Ost. Cie. is vanaf de haven met nieuwe Fargo trucks naar het Veda gebouwencomplex gebracht, dat was gelegen tussen de beneden - en bovenstad van Semarang, dat was gunstiger dan de plaats waar de rest van het Bataljon terecht kwam, ook qua hitte en de kans om malaria op te lopen. Zo beleefde Vic het in dat Veda gebouw te worden opgewacht door de kwartiermakers.

 

Er was ons gezegd dat wij daar eerst zouden acclimatiseren, want het was toch wel een hele overgang om in het klimaat van dit werelddeel te kunnen wennen.

Door de fourier van de Staf Cie. waren wij na aankomst al voorzien van een “tampatje” en een klamboe, dat zou gedurende het verblijf in Indië onze slaapplaats zijn.

Het eerste klusje dat Ton Weterings werd opgedragen was het repareren van een kleine benzinemotor van een waterpomp, die op de binnenplaats stond. Als noodoplossing werd tijdelijk het water met emmertjes aan een lang touw uit een put opgehaald. Er moesten ook twee fietsen, die in delen waren aangevoerd, tot bruikbare vervoersmiddelen worden samengesteld., het is ook iedereen van de Staf Compagnie bekend dat één van die rijwielen in het bezit kwam van onze Compagniescommandant B.A.M. de Paauw.

 

In deze eerste periode krijgen de monteurs van de M.T. de opdracht van Luitenant v.d. Veen samen met hem en enkele chauffeurs naar een dump te gaan op de Bodjong.                                                               

Het Bataljon was reeds voorzien van enkele Jeeps en motorrijwielen maar nog niet van trucks, het vervoer werd nog door de A.A.T. uitgevoerd.

Op die dump stonden voertuigen die waren achtergelaten door het Engelse leger, want zij waren hier als eerste gekomen na de capitulatie van de Japanners. Het was een puinhoop die daar werd aangetroffen, er mankeerde vele onderdelen aan die voertuigen en om die weer mobiel te krijgen moesten er van andere voertuigen onderdelen worden afgehaald.

Zo kwam ons Bataljon in het bezit van de eerste bruikbare trucks, die onze chauffeurs gingen besturen. Een deel van de A.A.T. trucks kon toen weer terug naar hun eigen onderdeel.

Het bleek toen al gauw dat dit een leger was waar hobbyisten hun hart konden ophalen, zoals het verbouwen van trucks dat later nog aan de orde komt.

 

De M.T. moest toen ook verhuizen en kwam terecht in het Slachthuis, dat even buiten Semarang was gelegen. De M. T. veteranen kunnen ongetwijfeld vele verhalen vertellen over hun eerste kennismaking met deze omgeving, wij zullen beginnen met hetgeen Dick Broekhuizen weet te vertellen.

 

Het vertier in Semarang bestond hoofdzakelijk uit het bezoeken van de “ Tigerclub “, maar ook de bioscoop. Soms werd het barretje “Auchien Qui Fume “ bezocht dat zich op de Bodjong bevond niet ver van de haven, daar kwamen ook veel Officieren maar ook burgers.

Op een keer was ik daar met Wim Boksem en Arie Jongenelen toen enkele burgers die arme soldaten op een paar borreltjes trakteerden, wij hadden al een flinke pijp bier genuttigd en gingen dus met een flink stuk in de kraag terug naar het Slachthuis, waar wij gelegerd waren.

Tijdens die rit zaten wij op de vloer van de laadbak v/d drietonner, die ons had opgehaald. Echter de volgende ochtend zag ik dat mijn kloffie onder de olie vlekken zat, dat was natuurlijk gekomen van die smerige laadbak. Geen nood, ik haalde een paar liter benzine bij de korporaal Joop v.d. Stelt, hij beheerde het benzine en olie depot, en met die benzine waste ik de vlekken uit mijn smerige kleren.

Tegenover mij lag Toon Baltus onder zijn klamboe te tidoeren (slapen) Toen de baboe een mestin (etensblikje ) met hete thee op de grond bij zijn veldbed neer zette kreeg ik trek in een sigaret, maar toen ik die wilde aansteken en de aansteker te dicht bij het in benzine gedrenkte uniform hield kwam er een meter hoge vlam. Toon werd met een schreeuw wakker en sprong onder zijn klamboe vandaan, met zijn voet in de hete thee.

De brand was snel geblust, maar het enigste dat ik van mijn uniform overhield waren de knopen. Toon moest naar de hospik omdat zijn voet verbrand was.

 

 

Op een andere dag kreeg Moppie ( Gerard v. d. Hurk ) een rijopdracht met bestemming het centrum van Semarang, ik ging met Gerard mee als hulpchauffeur. Zoals iedere M.T. makker weet was Moppie een nogal lollige vent en had op die bewuste dag een bijzonder vrolijke bui, wij zaten beiden in de cabine van de Dodge luid te zingen. De snelheid was ongeveer 60 km / uur en wij reden op de Bodjong richting Tigerclub. Moppie hield de maat bij door met zijn voet op het gaspedaal te tikken hetgeen een schokkend tempo betekende. Plotseling reed er een M. P. met zijn Harley Davidson naast ons en gaf ons het stopteken, toen wij stilstonden kwam die M. P. naar ons toe en zei: “ Chauffeur waarom rijd je zo mal, wat betekent dat gekke gehup van die truck ? “ Het antwoord van Moppie was “ Ik weet het niet, maar ik denk dat er water in de benzine zit “ Waarop de M. P. zei : Ik laat je deze keer vrij met een waarschuwing, maar je moet de benzinetank laten reinigen, en dat blote lichaam is ook niet in overeenstemming met de militaire regels, de volgende keer ga je op de bon, en nou weg wezen !

 

Nu we het toch over water in de benzine hebben, het volgende verhaal : Jaap Gravesteijn had in Semarang een keer water in de benzinetank, de motor stotterde zo erg dat Jaap na het verlaten van het Slachthuis op de weg naar Mrangen de carburateur ging nakijken en een deel van de benzine ging aftappen, met de bedoeling van het water af te komen. Toen Jaap de motor weer startte sloeg met een paar grote knallen de motor weer aan, met het gevolg dat de benzine die op de weg was gekomen in de fik vloog. Als Jaap dan weg rijdt komt er juist een Javaan voorbij die op zijn schouder een 5 a 6 meter lange bamboestok heeft liggen.

Die Javaan zal waarschijnlijk van die brand geschrokken zijn en kijkt daardoor achterom met het gevolg dat die lange bamboestok de achterkant van de truck raakte en die vent met zijn stok 2 a 3 keer rond werd geslingerd, die arme man wist niet wat hem overkwam. Het probleem met het water in de benzine was wel opgelost. 

 

Wim Uitentuis verteld het volgende:

 

Ik kreeg in de Semarang periode een Dodge truck toegewezen, en had nooit achter het stuur van een Dodge gezeten en moest in het donker  met verduisterde koplampen rijden, van de Djoernatan kazerne naar het gebied waar zich de 1e Politionele aktie afspeelde, en dat was bepaald geen pretje.

Later moest ik die Dodge afgeven en werd Piet van Asten de chauffeur op die truck, ik kreeg toen een z.g. Sahara Ford, ook wel Woestijnrat  genoemd, dat waren trucks zonder cabine en die hadden dienst gedaan bij het Engelse leger in Afrika, tijdens de 2e Wereldoorlog.

Ik weet nog goed dat ik tijdens een rit plotseling ergens midden in een kampong stond, wat ik daar te zoeken had kan ik me nu niet meer herinneren, maar het is niet iets wat jullie denken.!

Ik kon de motor niet meer aan de gang krijgen, en heb een stel kinderen met kretek sigaretten weten om te kopen, zij hebben de wagen weer op de begaanbare weg geduwd, en daar kreeg ik later de hulp van onze monteurs.

 

Ton Weterings ondervind al deze omstandigheden als een zware opgave in zijn jonge leven, en zegt ook dat je ontzettend veel op elkaar raakt aangewezen onder deze omstandigheden.

Hij krijgt in het slachthuis samen met zijn slapie Dick Broekhuizen een kamertje tot hun beschikking. Hij weet nog goed dat zij samen op een zondagavond met een paar chauffeurs uit Arnhem via de eigen busdienst naar Semarang gingen om daar enkele bars te bezoeken, daar werden o.a. alcoholdranken verkocht per halve liter, korporaal Cor v.d. Horst was bij Dick en mijn persoontje komen aanschuiven en met ons drieën verorberde wij een halve liter Whisky, waarna werd besloten nog een halve liter te nemen.

Onder het genot van mooie Indische muziek en een sigaretje werd er ook nog een dansje gemaakt, en toen het echt gezellig begon te worden ging Cor v.d. Horst er vandoor en heb ik met Dick de rest van die halve liter Whisky opgemaakt. Vooral de warmte ging toen een rol spelen en flink aangeschoten hebben wij de reis terug gemaakt naar het Slachthuis, van die rit kan ik me eigenlijk weinig herinneren.

Bij aankomst in het Slachthuis heeft de wachtpost ons door enkele kameraden naar de kamer laten brengen met de opdracht ons uit te kleden en in bed te stoppen, de kamer werd toen afgesloten. Ik heb die nacht moeten overgeven waardoor ik mijn bed de volgende dag moest schoonmaken, het was allemaal een ontlading van hetgeen wij in korte tijd hadden beleefd.

 

 

                   Liefdesverdriet

                       

Het is allemaal vreemd wat mij nu in dit land is overkomen,

Want de baboe heeft de taak van mijn moeder overgenomen.

Zij maakt mijn bed op, en ook mijn kamer schoon,

Het is allemaal anders in deze omgeving waar ik woon.

Ze noemen het mandiën, dat is je wassen bij een bak koud water,

Wat ik daarbij denk als de baboe langs komt vertel ik je later.

Maar het is wel even schrikken omdat allemaal te ervaren,

Ik schrijf dan ook liever niet naar huis over alle gevaren      

Die er zijn om als jonge kerel dit zomaar te moeten beleven,

Ondanks ik ook genoeg ben voorgelicht mij daaraan over te geven

Ik bedoel de kontakten met het vrouwelijk schoon in dit land,

Maar heb wel genoeg aan jouw foto, die hier hangt aan de wand.

Eens hoop ik het weer te mogen beleven in ons Vaderland,

Om dan te worden aangeraakt door jouw lieve en zachte hand.

 

 

Jan Baas verteld over deze tijd het volgende:

 

Ik was helaas toen nog niet bij die M. T. en zal dus mijn verhaal vertellen over het verloop bij die Regiment Politie. Wij kregen al gauw een motorfiets, Jan werd een B. S. A. 500 toebedeeld en wij moesten nu deelnemen aan het linkse verkeer dat daar overwegend uit militair transport bestond. Men had hun in Holland de linkse verkeersregels trachten bij te brengen maar ondanks dit reed Jan bij de eerste keer de poort van de kazerne uit en ging rechts rijden. Er kwam hem een Indonesiër op een fiets tegemoet en hij kon hem niet meer ontwijken en schepte de vent waardoor zijn voorwiel werd dubbel gevouwen, en voor hij de zaak kon overzien had hij de fiets op zijn schouder gehangen en vluchtte de nabij gelegen kampong in. Jan heeft vanaf dat moment altijd links gehouden, voor zover dat mogelijk en nodig was. Jan raakt al snel vertrouwd met de omgeving in de stad, en er worden hem verschillende taken opgelegd, zoals op straat voor de kazerne patrouilleren want daar moet de bedelende bevolking worden weg gehouden bij de openstaande ramen. Deze zijn met tralies  beveiligd, en deze mensen hebben honger en proberen wat etensresten te vergaren,  het is een trieste zaak dat die R.P. opdracht krijgt dit te verhinderen, je moet dan soms ook dit tafereel de rug toe keren.

Er is nog een taak voor de R.P.  weggelegd, achter de Djoernatan kazerne bevind zich een kampong waar zich veel publieke vrouwen ophouden, en bekend is dat het percentage geslachts ziekte hoog is, er staan bij de ingangen van de kampong dan ook grote borden met de tekst:

Verboden voor militairen. Maar omdat dit verbod genegeerd wordt moet de R.P. er op toezien dat dit verbod wordt nageleefd, zij moeten dat doen in de namiddag en avonduren als de militairen vrij van dienst zijn.  Het is verbazingwekkend hoeveel Nederlandse militairen toch die kampong trachten te bezoeken, mogelijk alleen maar uit pure nieuwsgierigheid ?

Meestal tegen het eind van de dienst komt de Compagnies Commandant Kapitein de Paauw en vraagt dan of er nog bijzonderheden zijn, en als er niets bijzonders te melden is krijgen zij toestemming naar de kazerne terug te keren, waarna de Paauw nog even alles gaat controleren. Zo is er nog een taak, nl. om beurten samen met militairen van de Koninklijke Marechaussee het verkeer regelen op het aloon aloon, dat verkeer stelde in feite weinig voor, zij stonden dan op een verhoging en onder een afdak tegen de felle zon.

 

Als je achteraf alles overziet waren wij slecht toegerust op onze taak in Indië, zoals de M.T. begon met gammele voertuigen uit een dump.

Zo waren de geweren van het merk Lee - Enfield uit de 1e Wereld oorlog, en de Sten Gun was maar een goedkoop stukje schiettuig waar je niet altijd op kon vertrouwen, als je zo’n apparaat mee nam op de motorfiets dan kwamen de patronen zodanig in het magazijn te liggen dat het wapen zijn dienst weigerde als het gebruikt moest worden, het gebeurde ook dat het magazijn er tijdens het rijden uitviel.

Zo is het ook wel eens voorgekomen dat passagiers vanuit de laadbak van de truck sprongen met zo’n Sten Gun in de hand en door de schok het wapen spontaan zijn kogels afvuurde, het was dan ook veiliger het magazijn uit het wapen te halen.

Zo was ook de kleding uitrusting voor de motorfiets niet in overeenstemming met de tropen. De Regiment Politie kreeg nl.. na aankomst in Semarang een leren rijbroek en bijbehorende rijlaarzen uitgereikt, waarbij een leren vest dat dermate gevoerd was dat het meer geschikt was voor Siberië. Zo werd ons verzocht de groene motorhelm zelf wit te schilderen. Begrijpelijk is dat wij het leren pak nooit hebben gedragen. Er was wel een z.g. niergordel verstrekt en die had men ook absoluut nodig op die wegen met slecht geveerde en oude motoren.

Jan krijgt dan ook last van “Wandelende nieren” en om van deze kwaal af te komen moest heel veel worden gedronken, zo’n 5 liter per dag, hetgeen in hoofdzaak koude thee was.

Om nog even terug te komen op onze uitrusting, in Nederland waren wij reeds in het bezit gesteld van een helm, deze was van het type zoals ook de Engelsen waren uitgerust, in tegenstelling tot dit model hadden de Amerikanen een ander model dat toch wel een betere bescherming aan het hoofd gaf,  en bovendien bestond deze helm uit twee delen, d.w.z. de buitenhelm was van staal, terwijl de binnen helm van een soort fiber was, die binnen helm was zeer praktisch voor gebruik in gebieden waar geen gevaar aanwezig was, zoals b.v. bij een parade tijdens warm weer. Een dergelijke helm was ook in gebruik bij de Mariniers, en dat was vooral gunstig in de tropen.

 

De eerste politionele aktie is inmiddels op 22 Juli 1947 begonnen en het Bataljon levert op vele voorposten strijd, en van acclimatiseren is weinig terecht gekomen.

Vic schrijft hierover het volgende: Gisteren begon de politionele actie, en vandaag was er alarm voor de Pioniers, we moesten mijnen gaan ruimen. Tot tien uur hebben we gewacht op een sein van de KNIL - compagnie, die als dekkings - eenheid aan ons was toegevoegd. De omgeving was grondig vernield door de T.R.I. De huizen lagen óf plat óf waren leeggeplunderd, telefoondraden waren overal doorgeknipt en lagen hier en daar over de weg. Op veel gebouwen waren extremistische leuzen te zien en ook troffen we nog bedorven rijst rantsoenen van de T. R. I. aan.

In het traject bevonden zich drie bruggen, de laatste brug bleek ondermijnd met twee vliegtuig bommen van elk 50 kg. In totaal vonden we zes van die dingen, die allemaal werden geruimd.

Voorbij de derde brug was een flinke tankval verborgen. Tussen de bedrijven door was er nu en dan een vuurwisseling tussen T.R.I. en de KNIL compagnie. Ook op ons werd gevuurd, doch de kogels vlogen laag over. Het KNIL antwoordde met geweer- en 2 inch mortiervuur.

De extremisten waren behoorlijk dichtbij, we hoorden herhaaldelijk Merdeka geroep. Alles verliep zonder ongelukken, althans voor ons, later op de dag pakte een KNIL soldaat een granaat op en was zo dom de veiligheidspen er uit te trekken, het was afgelopen met hem. Wij hadden s’ morgens nog met hem staan praten. Ik kan me nog herinneren dat Tom van den Berge één van de bommen naar de truck bracht, hij moest over de derde brug, onbeschermd, naar ons toekomen. Gebukt onder de last van 50 kg. legde hij onder snipervuur, en bij het slaken van ijselijke kreten, de laatste meters af. Er is moed voor nodig om dán zo’n bom nog vast te houden !

 

Jan  weet nog goed toen hij op 26 Juli 1947 bij de poort van de kazerne stond er een truck stopte waar in de laadbak het stoffelijk overschot lag van Luitenant Janssen Schmidt. Hij was de eerste van ons Bataljon die sneuvelde. Het was tijdens een mortier aanval te Plamongan gebeurd, het stoffelijk overschot is met de fouragewagen, die juist was aangekomen, naar Semarang vervoerd.                                                                               

Kort hierna kreeg de Staf Comp. opdracht hun spullen in te pakken want zij zouden de post Mrangen overnemen. De R.P. moest voor begeleiding zorgen van de Jeep waarin Luitenant Kolonel Harkema zat, bestuurd door Jan Derksen. Jan  weet nog goed dat hij achter de Jeep reed met zijn B. S. A. en het magazijn verloor van de Sten Gun. Hij is gestopt en terug gereden en heeft haastig dat magazijn weer opgeraapt en heeft zich snel weer weten aan te sluiten bij dat konvooi, je zag achter iedere boom of struik het gevaar van de vijand, maar in feite was er nog niets aan de hand, en hier moet je langzaam aan wennen.

 

Het R. P. team krijgt de beschikking over een huisje in het kamp waar de Staf Comp. wordt ondergebracht, het huisje ligt enigszins verscholen tussen het groen een eind van de kleine verkeersweg. De hospikken (ziekenverplegers) krijgen het druk, want al gauw komen er grote drommen vluchtelingen die veelal onder allerlei zweren zitten, veel zijn gehuld in een schamele jutezak en als jonge vent wordt je daar ineens mee geconfronteerd, naakte vrouwen die hun lichaam met zweren enz. tonen. Er staan dagelijks rijen van deze mensen te wachten die bijna allemaal met zalf worden behandeld, waar mogelijk is geven wij hun ook nog wat te eten.

De wegen zitten op het laatst vol met vluchtelingen die vanuit het vijandelijke gebied komen, maar daar zitten ook personen tussen die bij de vijand thuis horen en in hun bagage wapens meedragen, er komen dan doorlaatposten waar onze jongens de zaak controleren.

 

Het kamp moet natuurlijk ook worden beveiligd en daarvoor zijn er posten geplaatst die rondom beveiligd zijn met zakken zand, en een afdak van golfplaten, er is ook een veldtelefoon. Deze posten worden s’ nachts door twee personen bemand en om beurten wordt er wacht gehouden, zo overkomt het Jan Baas tijdens de beurt samen met ene Steenbergen dat er voor hun in het terrein een geluid hoorbaar is, zij zitten aandachtig te turen met het wapen in aanslag maar zien alleen de vuurvliegjes (daar moest je ook aan wennen) Als er dan opeens een harde bons wordt waargenomen springt Steenbergen overeind en gaat hollend in de richting van het kamp, Jan zit nu alleen en neemt via de veldtelefoon kontakt op met de dienstdoende wachtcommandant en laat weten wat er is voorgevallen, dan wordt er een ander maatje gestuurd. Die geluiden blijven hoorbaar maar er gebeurt die nacht niets bijzonders. Als ze bij daglicht in het veld gaan kijken zien ze wel een paar kokosnoten liggen, maar stel je eens voor je bent 19 jaar en zit daar in een vreemd land, je bent zo voor de leeuwen geworpen en je moet het maar zien op te lossen.

 

Jaap Gravesteijn verteld:   

 

Mranggen September 1947.

Vanmiddag kwamen en stel inlanders uit de achter ons liggende kampong ons bivak in Mranggen binnen, een van hen was buiten bewustzijn, het was ook voor hen een vreemde, hij had geprobeerd te rampokken (hetgeen stelen betekent ) maar was gepakt en driekwart dood geslagen, maar waar laat je zo iemand, natuurlijk bij de Hollanders die zoeken het verder maar uit en dus zei Majoor Hellemons:  Gravesteijn neem vier man mee en breng die vent naar het Burger ziekenhuis in Semarang, dat is zo’ n 13 km rijden, en daar gingen wij, een simpel klusje maar ik had de pé in want de inlander gaf geen teken van leven meer en zou naar mijn mening zeker niet de rit in de open laadbak van een driekwart-tonner overleven, de weg Mranggen - Semarang bestond uit gaten en kuilen, mijn driekwart-tonner had een slechte motor, geen licht, en geen remmen, zelfs geen handrem, ( zoals Luitenant v. d. Veen ooit eens zei, alle begin is moeilijk ) en binnen een uur zou het donker zijn, Indisch donker en zonder maan, alles zwart dus. In het donker arriveerden wij bij het Burgers ziekenhuis, de inlander leefde nog maar men wilde hem niet toelaten, we kregen het advies hem naar het Elizabeth ziekenhuis op de Gompel te brengen, bij de nonnetjes dus, wij weer verder de lange Bodjong af, langs de Tijgerclub de Gompel op, dat was een berg waar de weg omheen liep, al gauw klom de wagen in z’n tweede versnelling

(gebrek aan trekkracht en aarde donker) doch ook dat ging niet meer dus naar z’n eerste versnelling, doch voor dat dit lukte reed de wagen achteruit en was schakelen niet meer mogelijk, wat nu? Achteruit de berg af betekende binnen een minuut verongelukken, dus het stuur om en de achterkant van de wagen tegen de berg op zetten, goed gedacht maar de greppel van een meter diep tussen weg en berg was niet te zien, zelfs niet toen we er in lagen, de bak was in één keer leeg, de jongens kon je horen vloeken, de half dode Inlander zei niets, we moesten hem zoeken, na een uurtje kwam er een wagen met Stoottroepers langs en met vereende krachten en in z’n eerste versnelling kwamen we weer op de weg en bij het ziekenhuis. Komt U maar binnen zei het nonnetje, de Dokter komt zo, en de Dokter kwam ook vlug en begon onmiddellijk aan het opknappen van onze Inlander, hij lichte hem de schedel en bleef steeds tegen hem praten, wij stonden er omheen en keken de Inlander in z’n kop, de Dokter zei deze vent is ook nog van Adel, dat kwam ons vreemd voor. Nadat alle kwetsuren behandeld waren zei de Dokter hij kan hier niet blijven, ik zal jullie een briefje voor het het Burger

 

 

Situatiekaart Midden Java

 

ziekenhuis meegeven, de Inlander met een geheel in, t verband zittend hoofd, met de jongens weer achter in de laadbak, kruipend naar het Burger ziekenhuis, het briefje bleek voldoende voor opname, en na middernacht waren wij weer in Mranggen, geradbraakt doch heel, toen ik na een week ging informeren naar de Inlander ( uit nieuwsgierigheid ) bleek de man reeds als genezen te zijn ontslagen !

 

                           

 


Als de pioniers, waar Vic toe behoort, op een ochtend bericht krijgt dat er vóór de stad Goeboeg een brug is opgeblazen die over een grote snel stromende kali ligt wordt er direct begonnen met het vermoeiende laden van spoorbiels en boomstammen, dan volgt er een snelle rit van ongeveer 25 km. ten zuiden van Semarang.  In enkele uren is de brug dan weer redelijk berijdbaar, dank zij de inspanningen van iedereen, want ook de bevolking heeft een steentje bijgedragen. Overste Harkema heeft de brug “ Officieel “  geopend, hij knipte plechtig een draad door met het nagelschaartje dat hem op een tamelijk schone zakdoek door Vic was aangeboden. Hij noemde de brug de Luitenant Kerssemakers - brug. Een beetje humor in deze benarde tijden kon geen kwaad !

De wapenstilstand is nu een feit, en nu maar hopen dat het vrede blijft !

In deze periode hebben de Pioniers wel talloze bruggen gerepareerd, sommige daarvan wel een keer of vijf, er werden ook veel bommen geruimd en opgeblazen, volgens Jan Jansen had je twee keuzen bij het opblazen, óf je ging er een paar honderd meter vandaan in dekking, óf je bleef er vlakbij liggen achter een verhoging, dan vlogen de scherven over je heen. Dat was ook wel zo, maar je voelde je toch wel een beetje zenuwachtig !

De Ost.Cie heeft op 3 September nog een rijtest, de theorie verliep uitstekend, maar de praktijk was minder best, Vic slaagt wel, en van de tien is er één gezakt.

 

Door  het 4e Bataljon Prinses Irene  zijn  inmiddels  o.a.  de  volgende plaatsen bezet: Mrangen, Goeboeg, Demak, Kedoengdjati, Brambeng en Plomongan.                              

 

De R.P. krijgt zo nu en dan een melding waarvoor zij per motorfiets naar een bepaalde voorpost moeten rijden, zo ook een keer naar Demak. Dat gebied is bezet door onze 2e Compagnie en daar zou een bank zijn beroofd, als ze daar aankomen liggen de straten vol met bankbiljetten, maar het geld blijkt te zijn uit de Japanse bezettingstijd en dus is het waardeloos papier. Ze hebben wat van die biljetten meegenomen als souvenir, maar vinden daar ook een Harley Davidson 1250 c. c. met zijspan, dat voertuig was achtergelaten door de vijand, op het zijspan staat het embleem van de Marine. De motor wil niet meer aanslaan maar ze zien er wel brood in en nemen het geval mee op sleeptouw achter de B. S. A., het is een hele hijs. Dit vervoermiddel zou hun goed van pas kunnen komen en  daarvoor  brengen  zij  het  naar  de LTD. werkplaats op de Bodjong in Semarang. Men belooft het ding rijdende te maken. Zo heeft men ook een bruikbare 3 tonner buit gemaakt en die wordt intensief gebruikt door ons Bataljon.

 

Een overzicht van de soldijen bij de Koninklijke Landmacht in de jaren 1946 / 1950

 

Soldijen enz. van dienstplichtigen bij uitzending naar Indië zoals beschreven is in militaire termen op 1946.

Ten aanzien van de soldij - genietende militairen, die worden uitgezonden voor de dienst Nederlands - Oost Indië, blijft het bepaalde in L.O. 1946, nr.. 121 (gewijzigd bij L.O. 1946 Nr. 244 ) van kracht, met dien verstande dat hun van en met de dag van vertrek uit Nederland tot en met die van terugkeer in Nederland een verhoogde soldij en een oorlogstoelage wordt toegekend.

           

            De verhoogde soldij bedraagt:

            Voor een

            Ongeoefend soldaat       ...........…          fl. 1.08    per dag

            Soldaat                         ...........…          ,   1.40     ,    ,

            Soldaat eerste klasse     ...........…          ,   1.75     ,    ,

            Korporaal                      ...........…          ,   2.10     ,    ,

            Sergeant titulair             ...........…          ,   2.45     ,    ,

 

 

 

De oorlogstoelage bedraagt fl. 0.30 per dag, degenen op wie ingevolge het bepaalde aan het slot L.O. 1946 Nr. 121 mijn beschikking van 26 Maart 1946 Afd. A.I. Bur. 4 Nr.. 383 van toepassing is ontvangen, instede van een oorlogs- toelage van fl. 0.30 per dag, de oorlogstoelagen welke zijn vastgesteld bij mijn beschikking van 3 October 1945, III afd. A. Bur. Nr.. 119, te weten:

 

·         voor een gehuwde Sergeant - titulair  fl. 0.75    per dag

·         voor een gehuwde Korporaal, soldaat 1e Klasse    of soldaat ,  fl. 0,40 per dag

·         voor een ongehuwde Sergeant - titulair, korporaal, soldaat 1e klasse of soldaat  fl. 0.30

 

Boven en behalve de verhoogde soldij en de oorlogstoelage wordt aan de  vorenbedoelde militairen over de dagen, waarop zij na hun vertrek uit Nederland en voor hun aankomst in Nederlands - Indië in de gelegenheid worden gesteld het schip te verlaten, een “verblijfstoelage buitenland” toegekend ten bedrage van 2 Shilling, of een daarmee overeenkomend bedrag per dag.

Bovengenoemde L.O. No. 121 luidt als volgt:

Ministeriële Beschikking van 24 April 1946, afd. A. I, Bur 4, Nr.. 1 -

Regeling van de soldijen enz. voor dienstplichtig militair personeel der Koninklijke Landmacht.                                                                     

Ter kennis van de Koninklijke Landmacht wordt gebracht dat het volgende is bepaald:                                                                                 

 

Artikel I

 

Deze regeling is van toepassing op de militairen beneden den rang van Sergeant, alsmede de Sergeanten - en Wachtmeesters - titulair, dienende ingevolge dan wel met toepassing van de bepalingen der Dienst- plichtwet, met uitzondering van de oorlog vrijwilligers en alle dienstplichtigen die vrijwillig de verplichtingen van een gewoon dienstplichtigen op zich hebben genomen voor zover zij niet op een daartoe strekkend verzoek aan de Minister van Oorlog met de lichting 1945 of een latere lichting in dienst zijn gesteld.

           

Artikel II

           

De in artikel I bedoelde militairen genieten, behoudens het bepaalde in

artikel III, soldij tot hierna genoemde bedragen:

 

            Rang of stand:

            Ongeoefend soldaat       ................…     per dag fl.    0.70

            Soldaat               ...........................…      ,   ,      ,      1.=

            Soldaat 1e klasse     .......................…     ,   ,      ,      1.25

            Korporaal            ...........................…       ,    ,     ,      1.50

            Sergeant of Wachtmeester - titulair            ,     ,     ,      1.75

 

De soldij van fl. 1.= wordt toegekend aan den soldaat, die drie maanden in opleiding is geweest, mits hij voldoet aan de eischen van gezondheid, welke als dan aan hem worden gesteld, zulks ter beoordeling van den commandant.

Soldaten, die aan de strengere krijgstucht onderworpen zijn, genieten een soldij van fl. 0.40 per dag.

           

Artikel III

 

Wij behouden ons voor, ten aanzien van verlof militairen, die in opleiding zijn tot Officier, af te wijken van het bepaalde in artikel I I.

Op de in de voorgaande artikelen bedoelde militairen zijn de bepalingen van het Reglement van Administratie, welke betrekking hebben op de soldij - genietende militairen, ten volle van toepassing, tenzij door mij uitdrukkelijk anders wordt bepaald. Niet op hen van toepassing zijn mijn beschikkingen betreffende de toekenning van toelagen voor ongehuwde kostwinnaars, kindertoelagen, persoonlijke toelagen, toelagen voor vakbekwaamheid, gevaren toelagen, vergoedingen wegens het zelf voorzien in huisvesting en / of schoeisel, gezinstoelagen bij verlof, een en ander behoudens het daaromtrent bepaalde in het Reglement van Administratie.

 

Mijn beschikking van 26 Maart 1946, afd. A. I Bureau 4, Nr.. 383,

betreffende de “ Vergoeding buitengewone omstandigheden “ is op hen

slechts van toepassing voor zover zij op 15 Maart 1946, op grond van het bepaalde in mijn beschikking van 24 Augustus 1945, III afd. Bur. Nr. 95, in het genot waren van de oorlogstoelage.

Deze regeling gaat in op 1 Mei 1946

 

                       

 

 

Uit voorgaande overzicht blijkt in welk taalgebruik men in die tijd heeft getracht de militairen te informeren, in dit geval een heel verhaal terwijl Jan Soldaat zijn hand moest ophouden voor fl. 1.70 per dag, zoals al eerder gemeld was dat incl. gevarentoelage !

Inhoud
Hoofdstuk 04

 

De eerste politionele aktie loopt ten einde en de bedoeling is dat het Bataljon wordt afgelost door 3 - 7 - R.I., en wij naar Oost Java gaan waar zich ook de Staf van de 4e Infanterie Brigade bevind, waartoe het Bataljon behoort.

Er ligt een K. P. M. schip op de rede van Semarang , het is een Libertyschip  met de naam    m. s. van der Waals, en de bedoeling is dat wij daarmee naar Soerabaya gaan, de Kapitein is echter van mening dat er voor ons geen plaats is aan boord want het schip zit vol, maar de legerleiding beslist uiteindelijk toch dat wij mee moeten en wij allemaal op het dek kunnen worden vervoerd. Er is niemand van de legerleiding die ook maar stil staat bij een e.v. scheepsramp want voor dit Bataljon is er geen reddings materiaal aan boord, de ramp zou niet te overzien zijn indien we het schip om welke redenen dan ook hadden moeten verlaten op volle zee. Het is 12 September 1947, de dag dat Jan zijn twintigste levensjaar bereikt, als het 4e Bataljon wordt ingescheept via lichters die van de kade naar de rede varen waar het m.s. van der Waals voor anker ligt, aan de kade ontdekt men, dat de buitgemaakte 3 tonner niet bij ons hoort en deze blijft achter, zo gaat onze Harley Davidson met zijspan ook niet mee. Het vormt een vreemd schouwspel wat zich daar later op het dek bevindt want vele hebben een aap of hun baboe meegenomen, en die laatste hebben ook hun levende have meegenomen, zoals kippen en geiten. Vreemd eigenlijk dat niemand daar een stokje voor heeft gestoken.

Er zijn natuurlijk lang niet genoeg sanitaire voorzieningen voor ons, zo weet Ton Weterings zich te herinneren dat zij de nacht op dat schip hebben doorgebracht in de open lucht, op het dek onder een truck.                                                                                                

Vic van Schijndel, zoals we hem in het vervolg maar zullen noemen, weet zich nog goed te herinneren dat er maar mondjesmaat te drinken was terwijl wij de hele dag in de brandende zon moesten zitten, enige bescherming was er niet, het slapen op het vochtige ijzeren dek was ook geen pretje, zo bestonden de maaltijden uit noodrantsoenen.

Als het Bataljon een dag later aankomt bij Soerabaya is het geen aanzicht hoe iedereen er uitziet. Op de kade staat een welkomst comité, waaronder de Brigade Commandant en een drumband, en wordt er een toespraak gehouden, maar als dat 4e Bataljon Prinses Irene van boord gaat weet men niet wat ze zien, en krijgt dit Bataljon de naam Circus Irene.

 

Er staan A. A. T. trucks gereed en die brengen ons naar de Kromhout kazerne, aan de andere kant van de stad. De volgende morgen moeten wij ons materiaal ophalen, dat in de ruimen van het schip is meegekomen, maar dan blijkt dat door mogelijke sabotage alles door elkaar is geschoven, waarschijnlijk ook door het slechte stouwen. Er is veel schade en van de B. S. A. van Jan zijn de banden doorgesneden. Er komt hulp van de mobiele L. T. D. werkplaats en zij rijden later met hun motoren, en andere voertuigen, naar de kazerne.                                   

 

In die kazerne was er een veldslag om de eigen spullen weer terug te krijgen, alles was door elkaar geflikkerd, maar er waren ook wel voordelen want zoals Vic weet kreeg hij voor het eerst in Indië een goed bed. Ze zijn s’ avonds nog de stad ingegaan daar was genoeg te drinken, en de schade werd daar dan ook ingehaald, het gevolg was dat Vic achter het stuur is gaan zitten van de truck van Kees van Rij en de hele ploeg naar de kazerne terug heeft gereden. Kees en de anderen waren zo zat als een aap, en het was dan ook niet leuk toen Jopie Leisner op de treeplank van de rijdende truck stond terwijl Kees uit het portierraam hing begon over te geven.

 

Naast de Kromhout kazerne bevond zich een kazerne waar de Koninklijke Marechaussee was gelegerd en daar wordt de R. P. op een avond uitgenodigd. Er blijkt kort geleden ook een nieuwe lichting uit Holland te zijn aangekomen die een tijd niet buiten de poort mochten komen, er zijn toen enkele over de omheining geklommen en hebben de stad bezocht, maar ook zijn er enkele naar de publieke vrouwen geweest en hadden daar een geslachtsziekte opgelopen, zelfs zo erg dat er één van hun als vermist zou zijn opgegeven, tenminste dat verhaal werd ons zo verteld. Als Jan het zich goed kan herinneren zou het om Japanse Syfilis gaan, en zo werd steeds duidelijker vooral geen sexueel kontakt met vrouwen in dit land aan te gaan.

Op 17 September worden de spullen weer bij elkaar gepakt en gaat de Staf Comp., en dus ook de M. T., naar Perning en daar staan redelijke huizen waar wij worden ondergebracht.

De monteurs krijgen de beschikking over een grote oude loods waar het onderhoud van de voertuigen kan worden uitgevoerd. Na het middageten is er een rustpauze en om ongeveer 15.00 uur wordt er door een stel een partijtje volleybal gespeeld, daarna mandiën en moet men zich kleden volgens de tropen voorschriften bij duisternis, hetgeen inhoud een lange broek en de mouwen van het overhemd naar beneden. De Regiment Politie heeft opdracht daarop toe zien. In de avonduren wordt er veel gekaart en brieven naar huis geschreven. Ook zijn er gezellige uurtjes bij elkaar en wordt er vaak een borreltje geschonken, voor zover dat voorradig is.

Er is van bamboe en hout een kerkje gebouwd in het kamp zodat daar de zondagsdiensten worden gehouden.

Ook is er zondags gelegenheid, mits men geen dienst heeft, met de busdienst naar Soerabaya te gaan.

 

 

Perning, voor het vertrek naar de bioscoop,vlnr: Tol,onbekend

Weterings, Uitentuis, Broekhuizen en Boksem

Ton Weterings maakt, zoals vele anderen, gebruik om tijdens zo’n bezoek aan Soerabaya op de pasar een souveniertje voor zijn meisje te kopen, dat meisje Riny zou later zijn echtgenoot worden.

 

De Regimentspolitie krijgt een deel van een villa en zij krijgen er een nieuwe taak bij, nl. het weg brengen van berichten per motorfiets naar voorposten, het Bataljon heeft twee motorordonnansen maar die kunnen het werk niet aan daarom gaan zij hun tijdelijk helpen. Op zich zelf is het geen onaardig werk om per motorfiets door de mooie natuur te rijden. Was het niet zo dat dit gebied nauwelijks onder controle was, en men zelfs beschoten werd. Jan hoort een keer de kogels over zijn helm fluiten als hij op de terugweg is van Randegan Koelon waar een bericht moest worden gebracht, en toen hij terug was in het kamp is dit meteen gemeld en  vond  men  een  oplossing  door  de  volgende  keer  een  Sniper (scherpschutter) als duopassagier mee te laten gaan. Dat stelde natuurlijk niets voor want wat moet iemand met een geweer achter op een hotsende motor beginnen?

Vic gaat op een ochtend met de makkers van de Ost. Cie. naar Modjokerto om met hun elftal te gaan voetballen, de tegenpartij is de 2e Cie., die laatste wint ook met 6-0. Op de terugweg wordt er Chinese whisky gekocht en s’ avonds tegen 6 uur zijn er al verscheidene manschappen die een stuk in hun kraag hebben, maar om 7 uur is de officiële opening van de pas gereed gekomen kantine, zij waren zo luidruchtig dat ze er tegen 8 uur al werden uitgesmeten. Natuurlijk waren er veel protesten en moest de Luit. er bij blijven om te voorkomen dat de geweren gingen spreken, de Luit is ook anderhalf uur blijven wachten tot het stel in slaap was gevallen.

De volgende ochtend informeert de kapitein tijdens de vlaggenparade hoeveel drank er was ingeslagen, dat waren 10 flessen, voor een peloton van 17 man. De Sergeant Hoek kreeg voor iedere fles drank één dag streng arrest van de Overste. s, Middags is er een extra appél en dan laat de Kapitein weten dat het allemaal niet zo erg was geweest en dat hij zelf ook wel een borrel lustte.

Twee dagen later houdt de Overste een toespraak in de kantine en liet weten het te betreuren dat hij zich had laten meeslepen door zijn boosheid en trok alle door hem genomen maatregelen in. Die avond is er een gezellige avond, mede i.v.m. het vertrek van Pionier Kemperman, die wegens het sneuvelen van zijn broer naar Holland terug mag. De Kapitein en de Luit. kwamen ook een half uurtje op bezoek en namen een fles goede jenever mee, en dat was wel erg sportief.

 

Er gebeurt ook iets vreemds in het kamp Perning, er stonden enkele spoorwagons en daar zou iets uit verdwenen zijn, later werd bekend dat het om medische spullen ging. Jan wordt daarvoor op het matje geroepen en men wist te vertellen dat hij meer van die verdwijning af wist, aangenomen werd dat vriend Jonkers daar meer vanaf wist i.v.m. een bevordering.

Trouwens de belofte die was gedaan dat de drie R.P. ers de rang van korporaal zouden krijgen was nog nooit uitgevoerd, dat zal allemaal wel te maken hebben gehad met de lege Schatkist van de Staat der Nederlanden. In ieder geval moet Jan een maand voor straf naar een bewakingspost aan de Melirip sluizen, hij is daar behoorlijk nijdig over maar er is niets tegen in te brengen. Jan beleeft daar wel een leuke tijd met de Infanteristen die daar waren gelegerd, en er was daar een instelling van het Burgerbestuur die zorgde voor het onderhoud aan de sluizen en zij hadden de beschikking over een 3 ton’s ex-leger truck en met dit voertuig heeft Jan menig ritje gemaakt en kon zo weer zijn autorij ervaring opdoen.

 

Na die maand komt hij terug in Perning en was de Regiment Politie spuugzat en is naar de 1e Luitenant v. d. Veen gestapt, hij was immers M. T. O. , en heeft hem gevraagd of er geen behoefte was aan een automonteur, zijn antwoord was: Heb je verstand van motorfietsen ?

Natuurlijk had Jan wel enig inzicht gekregen aangaande motorfietsen in militaire dienst, maar echt verstand ? In ieder geval luidde zijn antwoord: “Dat zal wel lukken “ De M. T. O. zou kontakt op nemen met de Bataljons Commandant, en Jan moest al vast gaan praten met zijn baas , de Wachtmeester Joop van Ewijk, die toonde geen enkel bezwaar. Toen de Bataljons Commandant dan ook zijn goedkeuring gaf was de keuze gemaakt en begon Jan de volgende dag als motorrijwiel monteur bij de M. T. en kreeg een apart hoekje in de werkplaats. Er waren verschillende merken, B. S. A. - Matchless - Triumph - Ariel - en Norton. In de direkte omgeving van het kamp was het nog wel veilig zodat er vaak een proefrit kon worden gemaakt, en dat gebeurde misschien wel meer dan nodig was. In ieder geval kreeg Jan het goed naar zijn zin bij het M.T. gezelschap. Buiten van Ewijk waren er nu nog twee leden van de R. P., Dirk Roggeband en die Jonker, en omdat Dirk het ook niet meer zag zitten alleen met die Jonker over te blijven heeft hij verzocht terug te worden geplaatst naar zijn oude maatjes bij de 4e Compagnie en dat is hem ook gelukt. Hoe het verder met die Jonker is gegaan weet men niet, bekend is dat van Ewijk na zijn dienstverband terug gekeerd is naar Nederland, en het vermoeden bestaat dat Jonker is overgeplaatst naar de Marechaussee in Soerabaya. Jan heeft later in de jaren 1955 Joop van Ewijk nog eens opgezocht in Tilburg, hij was toen nog steeds in militaire dienst.

 

Vic van Schijndel gaat van 9 tot 29 November naar het eiland Madoera waar hij de bezetting meemaakt, er moest veel worden gelopen waardoor het een vermoeiende actie was, maar bleef beperkt tot een aantal schermutselingen. De natuur op Madoera was fascinerend zo leek de omgeving van het dorp Amboenten, met zijn palmenstranden, wel op de plaatjes zoals je tegenwoordig in de reisfolders ziet.

 

In deze periode staat het volgende in de dagbladen:

 

De regering heeft in een verklaring o.m. het volgende bekend gemaakt:

 

De ontwikkelingen van de toestand in Indonesië in de afgelopen maanden is niet dusdanig gunstig geweest als de regering tevoren had gehoopt. Hierdoor is de aflossing der troepen, welke volgens de aanvankelijke plannen en de daarop gegronde toezeggingen reeds voor de demobilisatie in aanmerking kwamen, vertraagd.

 

Deze berichten verhogen natuurlijk niet de juiste stemming !

 

Het overkomt Ton Weterings in Perning dat hij op het matje wordt geroepen bij de Comp. Commandant Kapt. de Paauw. Na binnenkomst op zijn bureau salueert Ton netjes en meldt zich zoals het is geleerd, dan wordt hem verteld dat er een klacht is gekomen door Sergeant Timmermans, deze had s’ morgens met luid gebel iedereen te kennen gegeven dat het tijd was om op te staan, Ton had tot twee keer toe dat bevel genegeerd want hij had eigenlijk nog een kater van de vorige avond, en had uit een geintje gezegd: Vent sodemieter op.

In zijn positie als Wachtcommandant vond Sergeant Timmermans deze handelwijze niet te moeten tolereren en had het ook zo overgebracht aan Kapt. de Paauw. Ton was het hele voorval eigenlijk al lang vergeten, maar werd nu met zijn neus op de feiten gedrukt en kreeg twee maanden verzwaard. Dat hield in overdag gewoon dienst doen, maar na de diensttijd en ook in de weekenden binnen blijven. En hier komt weer de geweldige goede natuur van onze Luit. naar voren want hij gaf Ton opdracht busdiensten uit te voeren in de tijd dat hij eigenlijk voor straf moest binnen blijven. Voor deze man had je dan ook de grootste waardering, want hij begreep dat er door ons tijdens de dienst flink werd aangepakt, en een enkele uitspatting getolereerd moest worden.

 

Wat  die  motorfietsen  betreft, de  monteurs  hadden eigenlijk weinig zin aan die dingen te sleutelen, zo stonden er op een zeker moment enkele motorfietsen in de garage waarvan één met een lekke band, Ton Weterings en Dick Broekhuizen hebben die band toen gerepareerd en zijn toen ieder op een motorfiets een ritje gaan maken, en natuurlijk moest er even met hoge snelheid worden gereden maar dan gebeurt het dat van de motor waarop Ton rijdt de voorband ineens weer lek raakt waardoor hij met zijn hoofd rakelings langs een pijler van een brug schuift. Het loopt gelukkig goed af. Ton heeft in zijn latere leven ook nooit meer op een motor gereden.

 

Wim Uitentuis schrijft hierover het volgende:  In Perning was één van de bezigheden tijdens onze vrije tijd zwemmen, maar niet alle makkers van de M. T. hielden van zwemmen, eigenlijk konden ze niet allemaal zwemmen. Toen wij in Perning gelegerd waren was zwemmen niet een van onze voornaamste bezigheden daar er geen zwembad in de buurt was. Achter  ons  kamp  stroomde de  kali  Mass  richting  Soerabaya en Moppie (Gerrit v. d. Hurk ) Wim Boksem en mijn persoon hebben een paar keer in die kali gezwommen. Op een goeie dag toen deze drie niets te doen hadden vroegen zij aan Arie Jongenelen of hij het drietal een kilometer of drie stroomopwaarts wilde brengen, met zijn drietonner. Dat lukte, de kali was vrij vuil van wege de regen de laatste paar dagen, maar daar zagen zij geen bezwaar in, en er stond ook een knappe stroming. Daar gingen zij dan al drijvende terug naar het kamp in Perning, het ging prima tot ze onverwachts een Leguaan zagen die vanuit de kali de wal op klauterde. Zij schrokken wel maar waren er toch gauw voorbij gedreven, dat beest was ongeveer een meter lang en leek wel op een krokedil. De gedachten waren, als er één is zullen er wel meer zijn, zo gingen zij de spoorbrug onderdoor tot Wim plotseling door een draaikolk naar beneden werd gezogen, hij raakte echter niet in paniek maar liet zich rustig mee naar de bodem van de kalie zuigen, toen kwam hij met een grote zwemslag uit die kolk, gelukkig was het maar een paar meter diep en kwam hij gauw weer boven. Daarna  werd er nooit meer door hun in die kalie gezwommen.

Later tijdens ons verblijf in Modjokerto mocht de M. T. gebruik maken van het water reservoir bij de Spiritus fabriek, net even buiten de stad gelegen. Onnodig om te vermelden is dat we daar zeker drie a vier keer per week gingen zwemmen. Op een goede dag werd Moppie er op betrapt toen hij in onze tamelijke grote “Mandi bak “ aan het zwemmen was, deze gewoonte werd hem zeer kwalijk genomen en dat is hem in niet al te leuke termen verteld.

Soms mochten enkele leden van de M. T. met verlof naar Patjet dat in de bergen was gelegen. Er was een klein zwembad ter beschikking, de temperatuur van dat water was nogal koel, maar daar waren wij gauw aan gewend. Hier leerde Dick Broekhuizen zwemmen van Wim Uitentuis. Op een goede dag was Dick weer eens aan het oefenen toen Wim aan Dick het voorstel deed naar de overkant van het bad te zwemmen, zo gezegd zo gedaan, maar toen Dick ¾ van de afstand had afgelegd schreeuwde Dick “ Wim ik kan niet verder “ Hij moest nog een paar meter zwemmen en Wim zei “ Je bent er bijna Dick, hou nog even vol “ En Dick heeft het gehaald maar zei later “Als je mij verteld had dat ik nog twee meter moest zwemmen dan had ik het zeker opgegeven “.

 

Aangaande de zwemkunst weet Joh. Boekestijn het volgende te vertellen:

Hij herinnert zich van Modjokerto dat degenen van de M.T. waarvan het in het Sportfondsenbad in Amersfoort niet was gelukt de zwemles meester te worden er makkers waren die hun dat wel even zouden bijbrengen, in een zwembadje van twee meter diep dat was ontdekt bij een woning in de naaste omgeving. Het zou wel lukken met een touw om het lijf gebonden, en natuurlijk liet men dat touw wel eens een stuk vieren waardoor Joh. kopje onder ging, maar vanaf die tijd kon hij zich redelijk drijvende houden.

 

Tretes was een ander vakantieoord, elke week gingen ongeveer 15 Irene mannen daar naar toe met een week verlof. Deze keer was het Sergeant de Jager, Luck Paardekooper en ondergetekende Wim Uitentuis, die de M.T. mochten vertegenwoordigen. We hadden veel plezier met de berg paardjes die erg klein waren en een lange soldaat van de tweede compagnie kon zittend op zo’n paardje met zijn voeten de grond raken. Niettemin hadden we ontzettend veel schik met die paardjes. Er stroomde een kleine beek langs ons bivak, en op een goede dag besloten de drie M.T. mannen het stroompje te volgen, stroomopwaarts het bos in en tegen de berg op. Zo hadden wij dan een paar uur geklommen maar schijnbaar weinig vooruitgang gemaakt, het bos begon steeds dichter begroeid te worden en leek wel wat op een rimboe en rondom ons heen waren talloze krijsende apen die blijkbaar niet op het gezelschap van mensen gesteld waren.

Plotseling liepen wij tegen een rotswand op die kaarsrecht naar boven liep, een prachtige waterval kwam met denderend lawaai naar beneden, tegen die rotswand waren wij niet opgewassen, dus toen zijn we maar terug naar beneden gegaan. De apen volgden steeds maar waren wel kalmer geworden en het gekrijs was bijna gestopt. Hoewel het klimaat in Tretes vrij koel is vergeleken bij Soerabaya, waren de M.T. mannen toch erg warm en bezweet. Tretes had een bijzonder mooi zwembad, met de naam Oase, waar wij na de expeditie in de bergen een uurtje door hebben gebracht, het water was 18 graden maar daar zagen wij helemaal niet tegenop. Het zwembad in Malang was absoluut het beste zwembad van allemaal, daar was een springplank die ik elke keer gebruikte als er gelegenheid tot zwemmen was. Er was ook een bar waar wij een biertje

 

 

 

 

 

Overzichtskaart Oost Java

 

 

 

                                    B.bendo baboes

 

dronken, maar bier en zwemmen gaan niet samen, dat had ik in de gaten toen ik besloot een salto van de hoge duiktoren te ondernemen. 

 

Maar het verhaal gaat eerst nog verder in Perning, het is 11 December 1947 als er een noodtoestand uitbreekt, men zegt dat t.g.v. de vele regenval er een dijk van de kali Namojo nabij Kloeloet is doorgebroken, maar boze tongen vertellen dat de dijk is doorgestoken. In ieder geval staat op deze 11 December het water s’ morgens zo hoog in het kamp dat iedereen in rep en roer is, er wordt later beweerd dat het water op sommige plaatsen 2 meter hoog was. Voertuigen worden met sleepkabels op het droge getrokken, alle spullen in de werkplaats worden naar een droge plek gebracht en iedereen loopt door het water te waden, soms met stokken gewapend voor de slangen, en ander ongedierte.

 

Als Jan die ochtend wakker wordt ziet hij zijn koffer naast zijn bed drijven, hij heeft nl. een kamertje achter het gebouw dat op niveau van het maaiveld ligt, hij kleedt zich snel aan en gaat via het hoger gedeelte van de villa naar de voorgalerij, en als hij de vier a vijf treden die onder water staan wil afstappen blijkt dat door de stroming van het water de grond is weg gespoeld en hij in een diepe geul terecht komt. Hij wordt door de stroming mee gesleurd, komt met zijn been vast te zitten in een rol prikkeldraad maar weet zich te redden, ondanks niet de zwemkunst meester te zijn, maar wel met een hevig bloedend been komt hij op een veilige plek, op dat moment was er ook geen hulp in de buurt.

 

Er worden A. A. T. trucks gestuurd en zij vervoeren de bewoners van het kamp naar de andere kant van de kali, dat is de plaats Balongbendo, dat ligt aan de verkeersweg Soerabaya, Krian, Modjokerto. Het zijn de restanten van een oude - en vernielde - suikerfabriek waar zij worden ondergebracht. Zo komen Simon Beuving, Arie Jongenelen, Kees van Vliet, Jan Derksen en Jan Baas terecht in een garage welke bij het hoofdgebouw hoorde.

In een deel van die oude fabriek kwam de M. T. werkplaats en ook een hoekje voor de motor fietsen, en zo gingen de activiteiten weer zijn dagelijkse gang. De trucks voerden hun transporten uit naar Soerabaya en voorposten, de monteurs doen pogingen het oude materiaal aan de praat te houden en onze M. T. O. met zijn direkte medewerkers moet dit alles in goede banen proberen te leiden. Zo was er geen compressor om de autobanden op te pompen, het gebeurde met een handpomp waarmee velen een beurt kregen een bepaald aantal slagen uit te voeren. Er is al eens geschreven dat in dit leger de hobbyist zijn hart kon ophalen, welnu Jan knutselt nu een compressor in elkaar door een motorblok van een Harley door een oude benzinemotor aan te drijven, en door een ventiel in het bougiegat te draaien, dat ventiel behoorde bij de uitrusting van een truck om het mogelijk te maken via de motor de banden op spanning te brengen. De compressor werkt niet optimaal maar het is toch beter dan handwerk in dit warme land.

 

Dick Broekhuizen en Ton Weterings krijgen een keer de opdracht met de servicewagen, een ¾ tonner, de fourage naar een voorpost te brengen. Daar aangekomen ligt er een brug over de kali, die brug is van bamboe gemaakt. Aan de dienstdoende fourier wordt gevraagd of die brug sterk genoeg is om er met onze ¾ tonner over te rijden, waarop het antwoord is: Er zijn hier meerdere voertuigen over gereden en dat ging altijd goed. Maar toen deze keer die ¾ tonner er over ging was het mis, één van de kokers waarmee de brug zijn draagkracht had draaide weg met het gevolg dat de truck omgekeerd in de smalle kali kwam te liggen.

Iedereen was enorm geschrokken maar gelukkig brachten zij het er goed van af. Na ongeveer vier uur wachten kwam er een Break Down (kraanwagen ) die de ¾ tonner uit de kalie takelde en in de takels naar de L.T.D. werkplaats in Soerabaya bracht, daar werd er een andere cabine op geplaatst.

 

Ton Weterings krijgt in Balongbendo last van de bekende Malaria waarbij hoge koorts optreed, hij moet gedurende een dag of vijf a zes een pillenkuur volgen waarbij veel moet worden gedronken, de hospikken letten er dan ook op dat die kuur stipt wordt uitgevoerd.

Later krijgt hij ook nog een flinke aanval van dysenterie hetgeen erg besmettelijk was, daarvoor moest een streng dieet worden gevolgd met het slikken van Norit tabletten, en of het niet genoeg is overkomt het hem later ook nog dat hij verstopte talg kliertjes krijgt in zijn gezicht, die eruit worden gesneden en de wond wordt gehecht.

De motor ordonnansen hebben het ook weer te druk zodat Jan moet bijspringen door af en toe een bericht naar Modjokerto, en omliggende posten, te brengen, maar hij is inmiddels al aardig ingeburgerd bij de M. T., in het bijzonder begon er een vriendschap met Arie Jongenelen en Jan Derksen ( een o v w.- er die toen nog Pim werd genoemd ) Ook komt het eerste kontakt met Simon Beuving en dat zal ver strekkende gevolgen hebben voor later !

Het wordt al gauw bekend dat Jan een burger rijbewijs heeft en zich ook aangetrokken voelt tot de chauffeurs, het vermoeden bestaat dat onze M.T.O. ook wel interesse had in de rijvaardigheid van eerst genoemde en daarom Pim Derksen opdracht gaf hem een dagje mee te nemen voor een rit naar Soerabaya, daar moest voor de kwartiermeester proviand worden gehaald. Pim reed op een Ford 3 tonner van het type Marmon Harington en onderweg mocht Jan het stuur overnemen, dat waren de eerste van de vele kilometers die de nieuwe M. T. chauffeur maakte, en vanaf die dag stond het voor onze M. T. O. vast dat Jan Baas een goede aanvulling was waardoor er zo nu en dan een truck van een vermoeide of zieke chauffeur kon worden overgenomen. Pim daar tegenover was erg geïnteresseerd in de B. S. A. en mocht daar mee van Jan kleine ritjes maken. Zo werd om beurten een truck over genomen van Arie Jongenelen, Simon Beuving en moest ook wel eens Dominee Oomkes in zijn Jeep worden gereden zoals op een Zondag als hij op een voorpost een dienst ging houden. Maar natuurlijk gingen ook de reparaties door aan de motorfietsen.

 

Er is met het thuisfront inmiddels door vrijwel iedereen een regelmatige correspondentie op gang gekomen, zo ook bij Jan die regelmatig post krijgt van ouders, broer, werkgever en collega’s. Er was ook nog correspondentie met een of andere vriendin maar dat stelde weinig voor, en als er s’ avonds enkele makkers aan de grote tafel zitten te schrijven ziet Jan Baas dat Simon Beuving een brief aan iemand zit te schrijven waar een fotoafbeelding bij ligt. Het blijkt een foto te zijn van zijn nichtje Sientje Oosting die in Stadskanaal woont, Simon vertelt dat hij eigenlijk teveel correspondentie heeft en vraagt of Jan met zijn nichtje wil gaan schrijven, en  als  Jan  daarmee  instemt  krijgt  hij  het  adres  en  op 20  December 1947  wordt  de  eerste  brief  aan  haar gestuurd, met  de woorden Ik ben het slapie van Simon en ik heb wel interesse om met jou een briefwisseling te gaan onderhouden,                              

Zij antwoordt op 2 Januari 1948 en haar antwoord is erg positief, zo laat zij o.a.. weten de leeftijd van 17 jaar te hebben en samen met haar broer bij haar ouders te wonen in de Spoorstraat te Stadskanaal, ze eindigt met: Tot schrijfs , je vriendin Sientje.                                      

Dit zou de aanloop zijn tot een frequente briefwisseling, en later nog veel meer!

 

De Kerstdagen worden ook doorgebracht in Balongbendo en men heeft beslag weten te leggen op een grote bus pruimen op sap, enkele flessen Tripel Sec, Jenever en nog een ander soort alcohol waarvan de naam onbekend is, dat spul wordt bij elkaar gevoegd en na goed door elkaar te zijn geroerd blijft het een poosje staan tot aan de Kerstdagen en dan wordt er een stevige borrel geschonken, eigenlijk een Bowl, voor sommige net iets te pittig maar er ontstaat wel een leuke stemming en dat is zo nu en dan wel eens goed in dit vreemde land, waar ook zoveel gebeurt want inmiddels zijn er van het Bataljon 5 personen gesneuveld of door een ongeluk om het leven gekomen, waaronder ook het vroegere slapie van Jan in de Saksen Weimarkazerne, Sjors Lucas.

 

Na de Kerst komen wij in het jaar 1948, wat zal ons dit jaar weer brengen ?

Er worden regelmatig transporten uitgevoerd, ook worden verlofgangers opgehaald van de voorposten, zij mogen een dagje naar Soerabaya waar zij bij de Prinses Marijke Club worden afgezet en laat in de middag weer opgehaald om terug te worden gebracht in de donkere avonduren. Wat die Simon Beuving aangaat, er was eigenlijk niemand in het hele Bataljon die hem niet kende, Simon had in feite een hart van goud maar als je ruzie met hem kreeg kon je beter een straatje omgaan. Hij reed in deze periode met een Fargo truck, het was eigenlijk geen rijden maar laag vliegen want als het even kon trapte hij het gaspedaal door de vloer. We hebben vaak bij de ingang van het kamp, aan de verkeersweg, staan luisteren naar een brommend aanzwellend geluid dat leek op een vliegtuig tot dat de koplampen van de Fargo in het zicht kwamen en Simon zijn laatste stukje naar het kamp nog even iets sneller probeerde te gaan. Bij die inrit van het kamp ( een oude suikerfabriek ) hadden onze voorgangers de Mariniers twee vaten met grind van ieder 200 liter inhoud geplaatst waar precies de breedste truck door kon en Simon wist dat zijn Fargo dat ook kon en dat deed hij dan ook met een behoorlijke snelheid tot dat op een keer door iemand die vaten iets naar elkaar toe waren geschoven, toen moesten er twee spatborden van de Fargo worden uitgedeukt. Onze Luit. heeft het nooit geweten.

 

Wat de ritten met verlofgangers, de zg. busdiensten, betrof daar is ook weer een verhaal over te vertellen, de jongens van de voorposten die een dagje naar Soerabaya gingen hadden hun geld opgespaard want op die posten was er weinig uit te geven zodat zij vaak zo gul waren de chauffeurs een rondje te geven, daarentegen waren die chauffeurs vaak platzak want het kleine beetje soldij dat werd betaald was lang niet genoeg voor het betalen van al die consumpties bij deze stadsritten. Het soldij voor een zg. geoefend soldaat bij uitzending naar Indië bedroeg nl. fl. 1.40 per dag, de oorlogs toelage was fl. 0.30 per dag, zodat een optel sommetje laat zien dat een chauffeur met de rang van soldaat fl. 1.70 per dag kreeg, en daar kon men lang niet mee rondkomen bij die ritten naar Soerabaya.

 

Als 2 - 5 R. I. , vanuit Modjokerto in April 1948 terug naar Holland gaat, neemt een deel van het 4e Bataljon Prinses Irene die plaats over, en zij komen dan weer in de bewoonde wereld. Er is een militair tehuis met de naam Apendans welke grotendeels onder beheer staat van Pater Baeten, ook daar schiet men tekort aan financiën maar Simon Beuving weet altijd wel iets te versieren om bepaalde benodigde artikelen te verzorgen. Jan weet ook nog dat hij in de Apendans dikwijls met volle aandacht heeft zitten luisteren naar het pianospel van Wim Ouwehand. Er is ook een Bioscoop en het leven wordt een stuk aangenamer. De M. T. heeft de beschikking gekregen over een mooie villa en aan de andere kant van de straat bevind zich de werkplaats / garage anex parkeerplaats.

De manschappen worden verdeeld over verschillende kamers, een deel komt in  de  grote  voorkamer, de  twee  onder - officieren  de  Jager  en Timmermans komen in een kamer dat links van het gebouw ligt, en in de grote achterkamer krijgen Piet van Asten, Jan Baas, Simon Beuving, Pim Derksen, Gerrit v. d. Hurk ( Moppie ) en Arie Jongenelen een plaatsje voor hun tampatje.

De monteurs krijgen weer genoeg werk om alles draaiende te houden, het zijn ook vaak geïmproviseerde reparaties, veel storingen aan de verlichting, benzine toevoer en ontsteking.

Een stuk gereedschap om b.v. een motor op te takelen was er niet, met touwen en blokken hout werd dat opgelost.                                                            

Vic van Schijndel, die thuis hoorde bij de Pioniers van de Ondersteunings compagnie, wordt in deze periode ter beschikking gesteld van de M. T. en krijgt een voorlopige taak bij de administratie, waar hij met Ab Abbink en Johan de Goeyen het bureau werk mag doen. Zoals hij laat weten is het erg interessant werk, zoals het bijwerken van de voorraad-administratie. Zo zijn er kaarten waarop de fietsen vermeld staan met de tekst:

In voorraad  zijn 4 fietsen, uitgegeven 6 fietsen, rest- voorraad: minus 2 fietsen.

Het zal duidelijk zijn dat voor dit soort werk een zeer speciale motivatie nodig is, die Vic echter niet tot de zijne kon rekenen.

Hij had tussendoor gelukkig nog wat afwisseling, zoals s’ morgens in alle vroegte met een truck de baboes ophalen in Balong-Bendo, zo blijft hij voorlopig ook nog formeel bij de Pioniers, maar komt later definitief bij het M. T. peloton

 

Er zijn inmiddels ook twee nieuwe motorfietsen bijgekomen, t. w. Harley Davidson, s 750 cc. Ze zijn bedoeld voor de ordonnansen Frieling en Karrenbelt, en het onderhoud geschiedt door Jan. Het is een feest om met een dergelijk voertuig te rijden, de bagagetassen moeten wel met zand zijn gevuld, anders stuitert men van de motor af op de slechte wegen.

 

Over deze tijd verteld Dick Broekhuizen het volgende:                     

Met enige regelmaat mochten wij mee naar Soerabaya, ik stond dan b. v. samen met Tommy Tol, Wim Uitentuis en Ton Weterings achterop de laadbak van een truck, wij gingen dan meestal eerst naar een bioscoop.

 

 

 

 

 

 

Dat was daar een stuk netter dan in Modjokerto want daar zat je bijna in de open lucht en de vleermuizen vlogen langs het filmdoek, na de Bioscoop moest er ook nog een pilsje gedronken worden, wij huurden dan een paard en wagen, dat wagentje had één as, dus op twee wielen, en het paardje was klein van stuk. Het was goed voor het vervoer van 2 passagiers maar wij wilden er een keer met vier man in plaats nemen.

De Chinese koetsier was gekleed in pyjama en moest er dus zelf bij gaan lopen, tot dat één van ons tot drie telde en wij alle vier achterin het koetsje gingen zitten, het paardje werd ophoog getild en hing zo’n 30 cm boven de grond aan zijn tuig. De Chinees had zijn handen gevouwen en riep Kassian Toean en wij stikten van het lachen, het was wel gemeen maar wij knapten er wel van op. 

 

            Het M. T. peloton

 

Er komt heel  wat  kijken om  een  M.T. eenheid  te  laten  functioneren,

Van hoog tot laag, ieder heeft zijn taak, en hebben dat ook moeten leren.

Laten we beginnen bij de M.T.O. onze Luit. hij is de hoogste in rang,

Met zijn gezag, opdrachten en inzichten houdt hij al alles aan de gang.

Maar men mag met deze functie nog zo’n goede leider zijn van t’ geheel,

Zij ondergeschikten zijn toch ook zeer zeker een belangrijk onderdeel.

Zoals de Sergeanten, twee in totaal, één is Chef van het rollend materiaal

De ander is plaatsvervangend MTO, wat hij beheert is een apart verhaal.

Dan volgen de vijf korporaals, die hebben te samen ook wel enig gezag,

De rang daaronder is soldaat 1e klas, zij beuren  minder soldy per dag.

Als laatste de soldaat, hun prestaties zijn er niet minder om, weet dat wel,

Het zijn de chauffeurs, en ook ver in de meerderheid van het hele stel.

 

                  

 

Wat betreft de garage, die tegenover het woonhuis van de M.T. was gelegen, daar is toen een provisorische brug gemaakt om de trucks op te kunnen rijden om zodoende beter het onderhoud aan de onderzijde te kunnen verrichten. Die brug werd samengesteld uit oude olie drums en ijzeren balken, met veel precisie moesten de voertuigen daarop worden gereden, het was alweer een eigen ontwerp van hobbyisten.   

Wat de plaats Modjokerto aangaat de afstanden naar o.a. kantine en bioscoop waren op loop afstand.

Ton Weterings weet nog dat tijdens een proefrit, bij het oplossen van een benzine storing er over de brug van de Kalie Brantas een handelaar stond met zo’n 20 balen suiker. De Chinees liet weten dat hij daarmee naar Soerabaya wou en het hem wel wat waard was als wij dat transport voor hem uit voerde, een afstand van zo’n 60 km. Gebrek aan geld, dus met ons drieën snel de balen geladen, de Chinees bij de balen onder het dekkleed  en  wegwezen. Onderweg verschillende controleposten maar omdat het een militair voertuig betrof met drie militairen in de cabine konden wij ongehinderd die posten passeren. In Soerabaya werden er koelies bijgehaald die met grote snelheid de laadbak leeg maakten, want met alle kentekens enz. op het voertuig moest men daar niet te lang blijven staan, de Militaire Politie was zeer actief op dat gebied. Nadat het afgesproken bedrag was voldaan zijn we snel terug gereden naar Modjokerto. Het is gelukkig ook goed afgelopen, maar het waren wel gevaarlijke spelletjes.

 

Ton was ook een keer betrokken bij een aanrijding met een Jeep waarmee hij reed, er zijn daarbij slachtoffers gevallen onder de burgers.

Het is behandeld door de Krijgsraad en hij kreeg daarvoor 2 maanden detentie , dat waren geen gemakkelijke weken.

Maar bij controle na het ongeval bleek dat er geen remvoering op de remschoenen aanwezig was.

 

De berichten van het thuisfront klinken ook allemaal gunstig, kortom het leven is weer wat aangenamer geworden. Omdat verschillende onderdelen van het Bataljon ver uit elkaar liggen wordt er dagelijks veel gereden om de benodigde goederen op hun plaats te brengen.

De chauffeurs maken veel uren en om hun af en toe wat rust te geven laat de M. T. O. ( wij zullen hem in vervolg onze Luit. noemen )o.a. Vic van Schijndel en Jan als reserve chauffeurs fungeren. De chauffeurs hebben overigens nog steeds geen militair rijbewijs voor dit land, maar daar wordt ook tot dusver niet op gecontroleerd.

Er worden nu ook ritten gemaakt naar Patjet en Tretes,  hoog in de bergen zijn vakantie oorden waar militairen om beurten een weekje mogen verblijven, en daar moet ook de nodige fourage worden gebracht. Zo krijgen de M. T. manschappen de gelegenheid daar een weekje door te brengen. Sommige chauffeurs nemen hun truck mee om dagelijks een ritje naar Modjokerto te maken voor het ophalen van proviand, en natuurlijk de post. Zo  gaan  Simon Beuving  en  Jan op  23 Mei 1948 samen met de Fargo naar Tretes, en rijden  om  beurten  naar Modjokerto. Het is werkelijk genieten daar in de bergen en er is ook een mooi zwembad.

 

Arie Jongenelen krijgt op een keer een idee, hij stelt aan Jan Baas voor samen een kamer te betrekken welke apart achter het gebouw ligt.

Er moet wel het een en ander worden gedaan zoals schoonmaken en een kwastje witkalk, maar als de beslissing is genomen en het werk is gedaan en Arie een stel mooie meubels heeft weten te versieren, dan zitten die twee erbij als een vorst. Er staat ook een mooi bureau en dat komt goed van pas want Jan is bezig met een schriftelijke cursus Autotechniek en daar kan nu in alle rust aan worden gewerkt. Arie was ook een echt versierder, je kon het zo gek niet bedenken of hij wist overal aan te komen.

In deze periode wordt de Truck van Arie ook vaak door Jan Baas bereden en dat is ook te zien, eerst stond boven het voorraam de naam Sarreltje, hetgeen de bijnaam was van Arie, maar nu staat op de bumper van die truck  Mokum  en  Sientje. Het was trouwens al lang de gewoonte, die oogluikend door onze Luit. werd toegestaan, dat er op de trucks namen stonden van onze geliefden in Nederland.

 

Op een avond krijgt Jan de opdracht van de Luit. een vrachtje te doen naar Soerabaya, de heren Officieren hebben een feestje gehad en daarvoor zijn een stel “dames” van de MARVA over gekomen, en die moeten nu weer naar hun onderdeel in Soerabaya.  De heren Officieren willen ook mee en daarom acht onze Luit. het beter dat hij zelf ook meegaat, en neemt plaats in de cabine naast Jan. Dat was een teken welk plichtsgevoel onze M.T.O. had, want wat zou Jan moeten beginnen als het uit de hand zou lopen.

De passagiers gingen flink tekeer achter in de truck maar daar had men in de cabine geen hinder van.

Er is al eens geschreven over ons grote geldgebrek zoals bij die

busdiensten op Soerabaya en daar wordt met medewerking van o.a.. Arie Jongenelen wat op gevonden. Het komt hier op neer dat er benzine wordt opgespaard in jerrycans en dat daar geld voor wordt gemaakt.

Natuurlijk is dat diefstal van Rijksgoederen, maar omdat dat zelfde Rijk zo weinig soldij uitkeert maken zij een dief van deze chauffeurs, tenminste met deze opvatting werd dit plan ten uitvoer gebracht. Natuurlijk komt die benzine uit de trucks, en als dan de truck voor de busdienst s’ avonds terugkomt worden de gevulde jerrycans achter in de wagen geplaatst en worden deze naar een Chinees gebracht.

Daar staan de lege blikken klaar, er wordt afgerekend en de truck gaat naar de parkeerplaats waar de lege blikken worden uitgeladen. De centjes worden dan verdeeld zodat de beurs weer iets wordt gevuld.

Natuurlijk wordt hier een gevaarlijk spelletje gespeeld, maar eigenlijk wordt men er toe gedwongen omdat het soldy tekort schiet in de behoefte.

 

Wat die rijbewijzen aangaat daar wordt nu iets aan gedaan. Het hele koor moet op een dag naar Soerabaya, de meesten gaan achter in de truck mee, de Luit. gaat met een Jeep en Jan gaat met zijn B. S. A. De bedoeling is dat wij allemaal ons truck rijbewijs halen, de Luit. en Sergeant Timmermans ( zoals al eerder beschreven is zijn roepnaam Timmy ) en Jan Baas ook nog het motorrijwiel rijbewijs. Zo tussen neus en lippen zegt Jan tegen de Luit. : “ Ik weet niet of ik mijn rijbewijs haal maar weet wel zeker dat U het haalt, want een Officier laat men niet zakken” Maar dat viel verkeerd, en het is vrijwel zeker dat de examinator is opgestookt om Jan het leven zuur te maken, maar het begeerde papiertje werd wel gehaald, iedereen slaagde.

 

De monteurs Ton Weterings, Dick Broekhuizen en Henk Meinderts hebben soms een periode dat het werk boven hun hoofd groeit.

Wat de motorfietsen aangaat daar wordt steeds minder mee gereden want het is te gevaarlijk in dit gebied buiten de stad of ver vanaf bewaakte posten te rijden, daarom staan de meeste motorfietsen in het hoekje van de werkplaats waar Jan het onderhoud pleegt, en omdat die motorfietsen minder tijd vergen is het ook wel eens de beurt aan Jan een handje te helpen bij de andere voertuigen. Zo geeft de Jager hem de opdracht een

motor uit- en in - een Jeep te bouwen, op zich zelf is dat ook wel weer eens leuk.

 

 

Maar er zijn toch nog leukere dingen, zoals de opdracht die nu aan een stel wordt gegeven. Het Burgerbestuur van het Oostelijk deel op Oost Java heeft de Brigade verzocht in dat deel een demonstratieve patrouille met militaire voertuigen te houden. De Nederlandse planters voelen zich onveilig. Voor deze taak worden 5 trucks van de M. T. ingeschakeld en de chauffeurs zijn Baltus, Derksen en van Rij, en verders Jongenelen, Paardekooper en Tol. Verder gaan er een serie Bren- en Load Carriers      ( rups / pantser voertuigen ) mee,