

Gedenkboek van
de mannen v/h
Motortransport
4e Bataljon Garde Regiment
Prinses Irene
1946 - 1950
Samengesteld en geschreven door J. L. Baas
in samenwerking met makkers van de M. T.
en adviezen van Stef Klinge
Heerhugowaard 2001
Het is mede de bedoeling met dit boekwerk hen te herdenken die niet het
geluk hebben kunnen beleven na hun diensttijd in voormalig Nederlands Indië
terug te mogen komen in hun Vaderland. Zij hebben zich opgeofferd voor een
strijd die eigenlijk voor het grootste deel overbodig was. De kameraden die het
geluk hebben gehad wel terug te komen bij familie en vrienden, en dit boek tot
stand hebben gebracht, zullen die achtergebleven makkers nimmer vergeten, en
gedenken hun trouw eens per twee jaar bij het herdenkingsmonument dat is
opgericht op het terrein van de Generaal - Majoor de Ruyter van
Steveninckkazerne te Oirschot, maar ook ieder jaar op 7 September bij het
Nationaal Indië monument in het park ‘’Hattem” in Roermond waar dan meer dan
6000 militairen worden herdacht die in Indië en Nieuw Guinea zijn omgekomen.
Helaas zijn er bij het schrijven van dit boek, na terugkomst uit Indonesië in 1950, ook
tien makkers van de M. T. overleden,
wij zullen hen ook nooit vergeten. Vele van de achtergebleven weduwen
onderhouden nog steeds kontakt met deze M. T. groep, en zij worden ook vaak
betrokken bij verschillende samenkomsten, zoals de reünie’ s.
Jan Baas heeft de plicht op zich genomen dit boek te schrijven, maar bijna
alle M. T. makkers hebben hun eigen verhaal ingebracht die ook in dit boek zijn
verwerkt en samen spreken zij de wens uit dat de lezer een goed beeld krijgt
van de tijd dat zij in militaire dienst waren, als ook een klein overzicht
voor- en na hun diensttijd.
Een woord van dank gaat naar een veteraan van een ander onderdeel, het is
Stef Klinge in Harderwijk, hij was een geweldige steun bij het oplossen van de
computer problemen.
Een apart verhaal over de uitzending van dienstplichtigen militairen naar
Indië
Een overzicht van de soldijen bij de Koninklijke Landmacht in de jaren 1946
/ 1950
Arnhemse chauffeur over een meerdaagse patrouille van het Prinses Irene
Regiment
Een verhaal van Wim Uitentuis o. a. over een verdronken Tjakra,
Opmerkingen en wensen van een M.T. er
2e Politionele aktie, naar Malang, Kepandjan, Blitar, Toeloengagoeng en
Gondanglegi
Tidak akan didjadikan tawanan, tapi boleh poelang keroemah dengan leloeasa.
Over de ritten met die nieuwe trucks schrijft Wim Uitentuis het volgende:
Over de ritten met die nieuwe Ford trucks schrijft Wim tevens:
Hier volgt weer een stukje uit het dagboek van Vic van Schijndel:
Opdracht voor chauffeur Broekhuizen D.
met truck 11 - 870
Thuisreis en aankomst in Holland, persoonlijke belevenissen en
Demobilisatie
De terugkeer in de burgermaatschappij, en de jaren die volgen.
Het terugzien van Indië, waar we nooit meer op hadden gerekend
Terug naar Indië, dat nu Indonesië wordt genoemd
Het 2e terugzien van Indonesië
Het verhaal van - en over - Dick Broekhuizen
Als herinnering aangeboden door je vrienden van de M. T. Garde Regiment
Prinses Irene.
Het Nationaal Indië Monument i / h Stadspark Hattem te Roermond
De herdenking van de bevrijding in 1950 te Wageningen
De Stichting Hulpverlening Veteranen
De volgende M. T. makkers zijn
inmiddels overleden:
Ruimte voor e.v. persoonlijke aanvullingen
Selamat Siang, Apa Kabar, en ga zo maar door, dit was de taal die gesproken
moest worden gedurende de tijd dat de Nederlandse troepen in voormalig
Nederlands Indië verbleven, zo ook de kameraden waar dit boek over gaat, zij
verbleven daar 3 jaar van hun jonge leven.
Thans op oudere leeftijd aanbeland komen al die herinneringen weer naar
boven, dat is wel opvallend want wat gisteren gebeurde op deze leeftijd wordt
soms vergeten.
In de jaren rond 2000 ontstaat onder de gelederen van deze M. T. groep van
het 4e Bataljon Garde Regiment Prinses Irene het idee een boek te schrijven
waarin de opmerkelijke gebeurtenissen uit die Indië tijd gaan worden
beschreven, vele van de kameraden die nog in leven zijn geven hun medewerking
voor het tot stand brengen van dit boek, en alle persoonlijke ingebrachte
verhalen worden daarin verwerkt.
Om een goed overzicht te krijgen van de M. T. kameraden is er een korte
levensbeschrijving van de tijd voor de opkomst in militaire dienst, maar ook
hoe zij in de burgermaatschappij zijn terug gekomen, en ook de ontmoetingen die
onder elkaar hebben plaats gevonden, ook de reünies
in M. T. - en in Bataljons verband, herdenkingen en helaas het
onontkoombare overlijden van een aantal.
De M. T. makkers spreken de wens uit dat dit boek er toe zal bijdragen dat
hun kinderen, kleinkinderen en wat er verder mag volgen een idee krijgen welke
vriendschap er is ontstaan in de drie moeilijke jaren dat zij in de tropen
waren, dit mag wel uitzonderlijk worden genoemd.
Aan de lezer, zoals nabestaanden der
Indië Veteranen der M.T.
Eens droegen zij de wapenrok der
Nederlandse Strijdmacht,
En gingen voor drie jaar naar Indië
met een speciale opdracht
Deze luidde: Breng Orde - Rust - en Vrede
in dat verre overzeese land,
Maar met deze opdracht heeft de Nederlandse Regering zich de vingers
gebrand.
Meer dan 120.000 jonge kerels
kwamen terecht in
een oneerlijke strijd,
Het leven dat zij daar moesten doorbrengen kon ook stellig niet worden
benijd.
Omtrent de vaak erbarmelijke jaren dat zij daar op elkaar waren aangewezen,
Heeft een deel van deze M.T. groep tot taak genomen U hierover te laten
lezen.
Voordat de tijd
was aangebroken van de
zeereis, die een maand zou gaan duren,
Werden zij geschoold tot militair onder de krijgstucht, om ook een truck te
besturen.
Deze training vond plaats in- en rond - Arnhem, bij barre winterse
omstandigheden,
Bij vorst - sneeuw - en ijs, en er moest met strakke discipline worden
aangetreden.
Mars oefeningen, bedienen van vuurwapens, en alles wat een soldaat dient te
kennen,
Dat werd allemaal in 7 maanden geleerd, aan die omstandigheden moest men
wennen.
Toen’ t moment was gekomen van afscheid der achterblijvers die hen dierbaar
waren,
Vertrok het Bataljon vanuit Amsterdam, voor een lange zeereis over de
woelige baren.
Het leven op die oude schuit met de naam Tabinta was dan ook bepaald geen
pretje,
Na aankomst in Indië moest men op een veldbed slapen, onder een muskieten
netje.
De taal en zeden waren in Nederland reeds voor een gedeelte aan hun
bijgebracht,
Maar wat daar dan ook werd aangetroffen was lang niet wat men er had
verwacht.
Zo was er helemaal geen tijd om aan acclimatiseren toe te komen,
Er moest al snel aan de eerste politionele aktie worden
deelgenomen.
De oneerlijke strijd met de opstandelingen was vanaf die dag begonnen,
Maar kon onmogelijk door geen
van beide partijen worden gewonnen.
Na de eerste ervaringen van
het wapengekletter rond Semarang
en De Mak,
Kwam de periode dat voor hun op Oost Java de tweede politionele aktie
uitbrak
Dat werd een zware en moeilijke tijd van beschietingen, trekbommen en
hinderlagen,
En men v/d beveiliging bij
transporten de Huzaren van Boreel hulp moest vragen.
De inmiddels volwassen
kerels, geworden in die
zware en oneerlijke
strijd,
Willen via dit boek hun verhaal vertellen over die spannende en
onvergetelijke tijd.
Maar er zijn ook wel
goede en mooie restanten uit die zo bewogen jaren,
Dat is de hechte vriendschap die is overgebleven uit de tijd dat zij samen
waren.
-o-o-o-o-o-o-o-o-o-o-o-o-o-o-o-o-o-o-o-o-o-o-o-o-
Als op 5 Mei 1940 de Duitsers op zeer brute wijze en met een grote
strijdmacht Nederland binnen vallen is na een korte, maar hevige, strijd ons
leger niet meer in staat weerstand te bieden en wordt er gecapituleerd op 14
Mei 1940.
Ook vele Europese landen worden door de Duitsers bezet en er volgen vijf
verschrikkelijke bezettingsjaren, bijna alles heeft te maken met de
oorlogsindustrie en vele mannen worden te werk gesteld in Duitsland en andere
bezette landen, ook voeren velen strijd tegen de Duitsers, o a. via het
ondergrondse verzet.
De jonge generatie mannen moeten zich op zestien jarige leeftijd melden
voor de z.g. Arbeids-Dienst om in kampen, gekleed in uniform, te worden
opgeleid tot semi militair, met deze generatie 16 jarigen krijgen ook de meeste
jongens te maken die in dit boek worden beschreven, maar velen onttrekken zich
aan deze plicht door onder te duiken.
In het vrije Engeland worden op 27 Mei 1940 de in het verenigd Koninkrijk
wonende Nederlanders van 20 tot 35 jaar opgeroepen zich als vrijwilliger te
laten inschrijven, op 8 Augustus 1940 volgt de dienstplicht voor alle
Nederlanders van 19 tot 36 jaar, Februari 1940 wordt deze dienstplicht
uitgebreid tot de rest van de vrije wereld, en Januari 1942 wordt de minimum
leeftijd 18 jaar en maximum 42 jaar.
Inmiddels was in Engeland op 11 Januari 1941 de Koninklijke Nederlandse
Brigade opgericht, deze Brigade krijgt op 22 Februari 1942 de naam Brigade Prinses Irene.
De wereldoorlog breid zich steeds verder uit en in December 1941 raakt
Japan daar in betrokken, eind Mei 1942 wordt Nederlands Indië door de Jappen
bezet. Een detachement van honderdvijftig man van de Prinses Irene Brigade was
al vertrokken naar Indië maar kon daar niets meer uitrichten, er was reeds
gecapituleerd bij aankomst.
In de jaren die volgden zijn er veel verschuivingen binnen deze Brigade
maar uiteindelijk in Juli 1943 wordt deze ingedeeld bij de legergroep van
Montgomery , die een invasie voorbereid van het Europese vasteland.
Op 6 Juni 1944 breekt D - Day aan en komen de eerste Geallieerde troepen
aan in Normandië, en dan op 6 Augustus wordt de Prinses Irene Brigade, groot
1205 man, ontscheept in Normandië, de Brigade vecht zich een weg door Frankrijk
en België en komt op 20 September 1944 over de Nederlandse grens. Op 27 Oktober
volgt de bevrijding van Tilburg en eind April wordt Hedel ingenomen. Op 5 Mei
1945 capituleert Duitsland en wordt dat door de bevelhebbers ondertekend in
Wageningen, de Prinses Irene Brigade wordt daarna ontbonden.
Er was echter nog geen einde gekomen aan de Tweede Wereldoorlog want Japan
bezet nog steeds Nederlands Indië, daar komt in Augustus 1945 verandering in
als Hiroshima en Nagasaki door atoombommen worden getroffen, en op 15 Augustus
1945 volgt de overgave van Japan. Britse troepen landen dan op delen van
Nederlands Indië en er worden vele Nederlandse burgers en krijgsgevangenen
bevrijd, de Indonesische vrijheid strijders leveren strijd en er sneuvelen vele
Britse militairen.
In Nederland komt langzaam ‘n opbouw op gang, mede door hulp van het z.g.
Marschall Plan, maar ook een opbouw van een Expeditionaire macht met de
bedoeling deze militairen naar Nederlands Indië te sturen, in April 1946 komen
de eerste onder de wapenen.
Het eerste Prinses Irene Bataljon was 3 - R. P. I. en vertrok 16 Oktober
1946 naar Nederlands Indië en kwam daar aan op 12 November 1946. zij leverden
strijd met de T. N. I.
In Oktober 1946 wordt het 4e Bataljon Prinses Irene opgericht en in
November 1946 wordt deze lichting in Arnhem ondergebracht in de Menno van
Coehoorn- en Saksen Weimar kazerne, en hiermee begint ook het verhaal van deze
M. T. veteranen.
Het deels in Engeland opgeleide kader, dat grotendeels bestaat uit
vrijwilligers en reserve Officieren en Onderofficieren, is aanwezig in Arnhem
en vangt de nieuwe lichtingen op, niet alle dienstplichtigen van dit Bataljon
komen onder de wapenen op deze dag in Arnhem, er zijn er ook die eerst bij een
ander onderdeel opkomen. Degene die in Arnhem opkomen worden voorlopig verdeeld
over zes Compagnieën en zullen een eerste training krijgen van zes weken, dat
gebeurt in November en December tijdens een flinke vorst periode en sneeuwval.
De dienstplichtigen manschappen die hierbij horen en later deel zullen
uitmaken van de M. T. zijn als volgt.:
A. Abbink , J. L. Baas, S.
Beuving, W. Boksem, H. Bruggink,
D. Broekhuizen, E. Dijkman, J.
Frieszo, J. de Goeijen, J. Gravesteijn, J. H. Heijgen, O. Krist, H.
Meinderts, L. Paardekooper, C. van Rij, V. Strack van
Schijndel, G. Vermeulen, C. van Vliet, en A. Weterings.
Dienstplichtigen die eerst in December 1946 bij een ander onderdeel, het
Artillerie Meetregiment, worden opgeroepen zijn:
J. A. Baltus, J. Boekestijn, T. de Bont,
G. v.d. Hurk, A.
Jongenelen, Th. Tol en W. C. Uitentuis
Na die eerste training wordt er verlof gegeven en daarna wordt het grootste
deel ingedeeld bij de Staf Compagnie, waar de M. T. deel van uit maakt.
Het aanwezige kader bestaat uit de volgende personen:
Motor Transport Officier, 1e Luitenant A. v.d. Veen ( reserve Off. )
Motor Transport Onderofficier, Sergeant
o. v. w. - H. Timmermans
Hoofd werkplaats,
Sergeant o. v. w. - E. de Jager
Korporaal Rij Instructeur o. v. w. - J. A. Derksen.
Korporaal o. v. w. - G. van Leeuwen
Korporaal B. O. S. (Benzine - Olie - Smering ) o. v. w. - J. v.d. Stelt
Korporaal Chauffeur o. v. w. - C.
v.d. Horst
Soldaat 1e klas Rij instructeur dpl. - P. van Asten
Soldaat 1e klas Chauffeur o. v. w. - A. Hagen
Soldaat 1e klas o. v.
w. - E. Scheerder
Bij de M. T. in Arnhem wordt aangevangen met auto rijinstructie, er wordt
les gegeven door van Asten, Derksen en
v. d. Horst.
De personen die later waren
ingedeeld bij dit peloton van de Stafcompagnie zijn :
naam
woonplaats toekomstige functie
1 P. van Asten Leende Chauffeur instructeur
2 A. Abbink Eibergen
Schrijver
3 J. L. Baas Amsterdam
Monteur / Chauffeur
4 J. A. Baltus Castricum Chauffeur
5 S. Beuving Gem. Avenhorn ,,
6 J. Boekestijn de
Lier ,,
7 W. Boksem Rotterdam
,,
8 M. de Bont Den
Bosch ,,
9 H. Bruggink Doetinchem
,,
10 D. Broekhuizen Zaandam Monteur sold. 1e Klas
11 J. A. Derksen Arnhem Instr. Chauffeur Korporaal
12 Dijkman Blokker Chauffeur
13 J. Frieszo Assen ,,
14 J. de Goeijen Almelo ,,
15 J. Gravesteijn Wormerveer ,,
16 A. Hagen Arnhem ,,
17 J. H. Heijgen den
Haag ,,
18 C. v. d. Horst Amsterdam Instr. Chauffeur Korporaal
19 G. v. d. Hurk Heerhugowaard
Chauffeur
20 E. de Jager Ooster
Nijkerk
Monteur Sergeant
21 A. Jongenelen Hoofddorp
Chauffeur
22 O. Krist Amsterdam ,,
23 G. van Leeuwen Rotterdam Chauffeur Korporaal
24 H. Meinderts Warga Monteur
25 L. Paardekooper Arnhem Chauffeur
26 C. van Rij Arnhem ,,
27 E. Scheerder Arnhem ,,
28 J. v.d. Stelt Voorburg B.O.S. Korporaal
29 V. Strack v Schijndel
Rotterdam Chauffeur
30 H. Timmermans
Den Haag M. T.O.
O. Sergeant
31 Th. Tol Volendam Chauffeur
32 W. C.
Uitentuis
33 A. v. d. Veen Amsterdam M. T. O. 1e Luitenant
34 G. Vermeulen Huissen Chauffeur
35 C. van Vliet Utrecht ,,
36 A. Weterings den Haag Monteur Korporaal
Zoals beschreven zijn bovenstaande personen niet allemaal direkt bij de M.
T. ingedeeld in Arnhem 1948, enkele zijn eerst ondergebracht bij een Infanterie
Compagnie en na de eerste 6 weken over gegaan naar hun eigenlijke bestemming om
opgeleid te worden voor hun toekomstige functie. Ook zijn er personen die eerst
zijn opgekomen bij een andere onderdeel, zo is het de bedoeling dat in dit
herinneringswerk een ieder zo veel mogelijk zijn versie geeft over zijn
voorgeschiedenis en zijn opleiding en op welke wijze hij tenslotte is ingedeeld
bij de M. T. van bovengenoemd Bataljon. Daarna volgt, voor zover mogelijk, van
een ieder het verloop tot aan het moment van uitzending naar Nederlands Indië
en met welke taak en rang hij is ingedeeld.
Daarna het verloop in Nederlands Indië, zoals b. v. een detachering bij een
andere Compagnie en zijn wetenswaardigheden. Tenslotte de thuisreis in 1950, de
demobilisatie en terugkeer in het burger leven, en verdere levensloop.
Er zijn op het moment dat men is begonnen met het schrijven van dit werk al
10 personen overleden, het was soms moeilijk van hen gegevens te vergaren, maar van het merendeel
zijn wij redelijk op de hoogte van de periode tot aan hun overlijden.
Het is 7 november 1946 als in Arnhem, zowel in de Menno van Coehoorn
kazerne als in de Saksen Weimar kazerne de lichting dienstplichtigen binnen
komt, die allen gehoor hebben gegeven aan hun oproep om daar te verschijnen. De
meeste zijn met de trein gekomen waarvoor een vrijvervoerbewijs voor de
Nederlandse spoorwegen was verstrekt.
Een deel van het latere M.T. peloton is niet aanwezig bij deze opkomst,
zoals later word beschreven in dit boek moeten zij zich melden bij het
Artillerie Meetregiment te Amersfoort.
De opdracht voor de eerst genoemde was om met de eerste reisgelegenheid te
vertrekken na 07.00 uur. In de kazernes aangekomen moet iedereen zich melden
bij de administratie en daar werd verteld bij welke compagnie men voorlopig was
ingedeeld, en naar welk gebouw men zich moest begeven. Aangekomen bij het betreffende gebouw moest men de kamers
opzoeken, waar men met mede recruten werd ondergebracht. Die kamers varieerden
van zo’n 10 tot 20 personen, de meesten sliepen in een stapelbed, waarbij
kasten waren geplaatst om de spullen op te bergen.
Het was al gauw duidelijk dat nadat men de kazernepoort was binnen gegaan
er een grote verandering in het leven zou komen. Als norm werd aangenomen dat
men de wapenen zou gaan dragen ter verdediging van het Vaderland, en ter
handhaving van de vrijheid.
Het is de bedoeling om van burgers soldaten te maken, er moest rekening
worden gehouden met de vele andere jonge mannen, die samen op één kamer waren
gelegerd en die vaak andere opvattingen en ambities hadden, en mogelijk ook een
andere godsdienstige overtuiging.
Vervolgens werd iedereen bijgebracht dat de eerste plicht van een militair
is: Gehoorzaamheid aan zijn militaire meerderen.
Voorts moest men er van doordrongen zijn, dat zodra men zich in uniform
ging vertonen in het openbaar, men in hem de vertegenwoordiger
ziet van het leger.
En zo zijn er pagina’s vol te schrijven over het nieuwe leven dat vanaf die
dag was begonnen, waarbij ook vooral de kennis van de krijgstucht van groot
belang was.
Op de betreffende kamer, waar men dan was ingedeeld, konden de eigendommen
zoals de toilet spullen in de kast worden opgeborgen.
Zo word er ook geleerd op welke ordelijke wijze het bed moest worden
opgemaakt. Aan het hoofdeinde hoort het z.g. “Wolletje” te worden geplaatst,
iedereen moet exact op de zelfde voorgeschreven wijze zijn toegewezen dekens zo
opvouwen dat het op een pakketje lijkt, en als bij inspectie blijkt dat het
niet volgens de voorgeschreven regels gebeurd is, dan wordt het ogenschijnlijk
goed opgemaakte “Wolletje” weer overhoop gehaald en kan men met opvouwen
opnieuw beginnen.
In ploegjes wordt men daarna bij de fourier gebracht die al naar gelang de
maten een uniform verstrekt, dat uniform was toen het z.g. battledress met
alles wat daarbij hoort. Het passen van de uniformen was lachwekkend, te klein,
te groot, of niet bij elkaar passend omdat de voorraad uit Engelse en Canadese
dumpen was gehaald, die afwijkend van kleur waren. Zo waren de baretten onwijs
groot en werden “Vliegdekschepen” genoemd.
Later werd geleerd dat als er onder in de broekspijpen loodjes, die aan
touwtjes waren geregen, werden geplaatst dat de pijpen strak kwamen te hangen,
en werden zo in de enkelstukken gevouwen. Om de vouw mooi in die broekspijp te
houden werd weer wat anders geleerd. Voordat men van de nachtrust ging genieten
moest die vouw vochtig worden gemaakt, waarna de broek netjes opgevouwen onder
de dekens werd gelegd en deze al slapende werd geperst, de volgende ochtend
leek het wel of de broek zo uit de stomerij kwam, tenzij het opvouwen op de
verkeerde wijze had plaats gevonden.
Zo verliepen de eerste dagen met een medische keuring, en informatie over
wat er allemaal zal gaan gebeuren in de komende tijd. Er worden distinctieven
uitgereikt, zoals stukjes stof waar het onderdeel Prinses Irene op staat, en de Nederlandse leeuw, en die moet men
zelf op de mouwen van het uniform naaien, hetgeen voor velen ook de eerste keer
is
dat zij naald en
garen hanteren. Zo moet men het
koper dat aan het uniform zit poetsen en de koppel en
enkel stukken met blanco behandelen.
Waarschijnlijk om de discipline er in te stampen worden er eindeloze
exercitie oefeningen gehouden.
Alle opgekomen dienstplichtigen waren dus recruut en waren de eerste tijd
geconsigneerd en mochten het kazerne terrein niet verlaten, maar wel werd er
geleerd hoe men in het gelid moest aantreden , b.v. op het appél dat enkele
keren per dag werd gehouden.
Zo verlopen de eerste twee weken en er worden er vrijvervoersbewijzen en
een verlofpas uitgereikt om het weekend naar huis te kunnen gaan. De kraag moet gesloten worden gehouden, deze
mag pas geopend worden na 6 weken want dan wordt aangenomen geen recruut meer
te zijn. Om met verlof te gaan wordt er in groepsverband naar het N. S. station
van Arnhem gelopen.
Als dan die eerste 6 weken erop zitten krijgen de meeste hun uiteindelijke
bestemming, zo komen er 4 Compagnies infanterie, 1 compagnie Ondersteuning en
een Staf Compagnie.
Zij die de functie krijgen van monteur bij de M.T. gaan voor scholing naar
Utrecht, hierover schrijft Ton Weterings later zijn verhaal.
Inmiddels zijn de personen die eerst bij het Artillerie Meetregiment in
Amersfoort waren opgeroepen nu ook overgeplaatst naar Arnhem en ingedeeld bij
de M.T. dat een onderdeel is van de Staf Compagnie
De chauffeurs krijgen hun rijlessen en wat daarbij meer komt kijken aan
theorie, ook daarover schrijven deze mannen hun verhaal in dit boek.
Men wordt eigenlijk gereed gestoomd om dienst te gaan doen in de tropen. De
winter is erg koud en dat is niet altijd prettig omdat de gebouwen amper
verwarmd zijn. De kazerne heeft namelijk nog al wat schade opgelopen in de
tweede Wereldoorlog, toen de Duitse bezetter hun kwartier had in die gebouwen.
Albert Abbink
Hij werd door ons aangesproken met Ab, en was dienstplichtig soldaat, hij
werd geboren op 4 Oktober 1926 te Eibergen, op het moment dat hij in militaire
dienst gaat woont hij aan de J.W. Hagemanstraat nr 10, zoals hij schrijft is
hij daar geboren en getogen.
Na het behalen van zijn M. U. L. O. diploma werd hij kantoorbediende.
Zoals de meeste van ons kwam hij op 7 November 1946 onder de wapenen en
werd gelegerd in de Menno van Coehoorn kazerne te Arnhem. Na de eerste
militaire opleiding werd hij begin 1947 geplaatst als schrijver op het “Materieelpark“ van het Administratie
Bataljon. Het was de bedoeling dat hij, na een verdere opleiding, met de
volgende lichting (dus het 5e Bataljon Prinses Irene) )naar Indië zou worden
uitgezonden.
Ongeveer een goede week voor het vertrek naar de tropen van het 4e Bataljon
werd hem echter medegedeeld dat hij alsnog met dit Bataljon mee moest, en werd
toegevoegd, c.q. ingedeeld bij de M.T.
Pas in Indië heeft hij zijn militaire rijbewijs gekregen.
Jan Baas
Was dienstplichtig soldaat, hij is geboren op 12 september 1927 te
Amsterdam, gezin met 2 kinderen, een 7 jaar oudere broer, opgegroeid in een
volksbuurt, het beroep van vader was heier / waterwerken.
Op het moment dat hij in militaire dienst ging woont hij in de Zaanstraat
nr 8 te
Amsterdam Centrum.
Opleiding: Lagere school 6 jaar, L. T. S. Smeden bankwerken 2 jaar.
Gewerkt bij: Artillerie Inrichtingen Hembrug, Nederlandse Scheepsbouw
Maatschappij, Stork Apparaten fabriek en in
Al snel haalt Jan zijn rijbewijs en krijgt opdrachten voor zware
transporten, maar neemt ook deel aan de opbouw van het wagenpark door de ex.
militairen trucks geschikt te helpen maken voor het burgerwerk. Hij heeft ook
een werkgever die hem veel vrijheid laat en dat is wel prettig. Als dan de
oproep in de brievenbus wordt geworpen dat hij moet worden gekeurd voor de
militaire dienst, en de wetenschap dat men bezig is troepen naar Nederlands
Indië te sturen, ziet Jan de donkere wolken al hangen, als die keuring dan in
1946 is geschied komt de uitslag als U bent Buiten gewoon dienstplichtig. De donkere wolken zijn dan verdwenen
en Jan wordt door iedereen gefeliciteerd, ook vooral door zijn werkgever omdat
er eigenlijk geen mens kan worden gemist in die tijd. Maar dan komt er toch een
brief van het Ministerie van Defensie om zich te melden in Arnhem, begrijpelijk
is dat er wordt gedacht aan een vergissing en er wordt kontakt opgenomen bij
Afdeling Militaire zaken in de Handboogstraat te Amsterdam, daar wordt verteld
dat het niet mogelijk is direkt een antwoord op de klacht te geven want dat
moet in den Haag worden uitgezocht. Met de belofte dat er spoedig antwoord zal
worden gegeven gaat Jan weer naar zijn werk, maar als er geen antwoord komt
wordt nogmaals een bezoek gebracht in de Handboogstraat maar ook dat levert
geen bevestiging op dat er een fout is gemaakt, en tenslotte na hevige
protesten wordt er gehoor gegeven aan de oproep waarna plaatsing in de Saksen Weimarkazerne
te Arnhem, bij de 6e Compagnie 4e Peloton onder commando van 1e Luitenant Th.
van Besouw. Uit protest tijdens marsoefeningen wordt er uitgevallen en wegens
stukgelopen voeten komt er toestemming tot het dragen van lage schoenen, en het
uitvoeren van lichte dienst, zoals werkzaamheden in het ketelhuis van de
Centrale verwarming installatie. Daar werd nog een leuk zakcentje verdiend met
het namaken van koperen clips voor de uniform riem. Wat betreft die stukgelopen
voeten die waren wel kunstmatig beschadigd, d.w.z. met een ruw voorwerp
behandeld. Na de eerste zes weken, door in het bezit hebben van burger
rijbewijs, de mogelijkheid om te worden opgeleid tot Regiment Politie, hetgeen
gebeurde met twee anderen van het Bataljon bij de Koninklijke Marechaussee te
Apeldoorn in de Koning Willem III kazerne. Er wordt les gegeven in het
begeleiden van militaire colonnes, het regelen en uitzetten van z.g. militaire
marsroutes, het toezien op naleving van de militaire tucht zoals kleding,
controleren van autopapieren zoals rijopdrachten, kaartlezen en het schrijven
van model rapporten. Maar vooral wordt er op de aspirant Politie gelet dat zij
zich correct kleden, en dat is niet altijd even leuk. Er heerst in die kazerne
dan ook een flinke tucht.
Na deze opleiding word Jan geplaatst in de Menno van Coehoornkazerne in
Arnhem waar Wachtmeester Bierhaalder de verdere opleiding verzorgt, waarbij ook
een motorrijwiel wordt verstrekt. Er worden dan Politiediensten uitgevoerd,
zoals het aanhouden van voertuigen van het Bataljon, en het controleren van
o.a. Rijopdrachten. Het is niet altijd een leuk baantje en er wordt met een
zekere minachting naar je gekeken.
Op de startbanen van het vliegveld Deelen wordt veel met de motorfiets
geoefend, maar die dingen zijn zo versleten dat men elkaar terug moet slepen
naar de kazerne.
Er wordt verteld dat Wachtmeester Bierhaalder niet mee gaat naar Indië, en
in zijn plaats komt een andere Wachtmeester. De Regiment Politie zal de rang
van korporaal krijgen, en als de diensttijd van de Wachtmeester erop zit en
weer naar Holland terug keert zal één van die korporaals tot Wachtmeester
worden bevorderd.
Jan Baas en zijn maatje Dirk Roggeband hebben al gauw opgemerkt dat de
derde persoon, een zekere Jonker, er op uit is later die rang van Wachtmeester
in de wacht te willen slepen, daar doet hij alle moeite voor en er is
waakzaamheid geboden, niet in hoofdzaak voor die e.v. rang maar omdat die
Jonker het achter zijn ellebogen heeft en alles wat zijn maatjes “verkeerd”
doen over brengt aan onze chef.
Er zijn in de tussenliggende periode nog wel bezoeken gebracht aan de
Handboogstraat, door zowel Jan als zijn Vader, maar met een “schijnheilig”
gezicht werd steeds beweert dat er nog niets bekend was.
Tegen de tijd dat het zover is om te worden ingescheept loopt Jan Baas met
het plan rond zich aan de uitzending naar Indië te onttrekken omdat hij vind
onrechtmatig te zijn opgeroepen als dienstplichtig militair, dat houd in het
plegen van Desertie. Echter de vader van Jan had genoeg overredingskracht hem
daarvan af te houden, want de gevolgen zouden desastreus zijn geweest.
Toon Baltus
Was dienstplichtig soldaat en woonde op het moment dat hij in militaire
dienst gaat aan de Mient nr 81 te Castricum.
In het burgerleven werkte hij als chauffeur bij het transportbedrijf
de Stad
Alkmaar, waarvoor hij veel in Amsterdam
was. Hij kwam in December 1946 onder de wapenen bij het Artillerie Meetregiment
te Amersfoort maar werd later, met een stel anderen, overgeplaatst naar de M.
T. van de Staf Compagnie van het 4e Bataljon Regiment Prinses Irene te Arnhem
Simon Beuving
Was dienstplichtig soldaat en woonde op het moment dat hij in militaire
dienst ging te Scharwoude nr
Wim Boksem
Was dienstplichtig soldaat en woonde op het moment dat hij in militaire
dienst ging aan de Strevelseweg nr 83 b te Rotterdam.
Zijn vader had een belangrijke baan bij de Holland - Amerikalijn te
Rotterdam.
Henk Bruggink
Was dienstplichtig soldaat en woonde op het moment dat hij in militaire
dienst ging aan de Yzevoorde nr 71 te Doetinchem, verdere gegevens ontbreken
omdat Henk geen belangstelling toonde aan dit boek mee te willen werken.
Joh. Boekestijn
Was dienstplichtig soldaat en woonde
op het moment dat hij in militaire dienst ging aan de Witte Poort nr
Zijn schoolopleiding bestond uit de lagere school, later een cursus voor
het Middenstands diploma, en een vakdiploma van de Brandstoffen handel. Na de
lagere school ging hij op 12 - jarige leeftijd in de tuin werken, na het
uitbreken van de oorlog werd dat afwisselend in de tuin - en bij zijn vader, samen
met zijn broer in de brandstofhandel (kolenboer). Ook Joh. maakte tijdens die
oorlogsjaren verschillende razzia’s mee, hij werd zelfs een keer tijdens een
kerkdienst uit de kerk gehaald.
Een oproep voor de arbeidsdienst bleef hem ook niet bespaart, in dit geval
kwam de plaatselijke politie hem zeggen dat hij de volgende dag zou worden
opgehaald, zodat er een mogelijkheid was dit te voorkomen door elders aanwezig
te zijn. Joh. werd echter wel gedwongen dijken te graven zodat het land onder
water gezet kon worden. In ieder geval komt hij goed door de oorlog.
Als in 1945 de oorlog ten einde is, ontvangt hij ook de oproep om voor de
militaire keuring te verschijnen, en daarna een oproep om zich op 3 December 1946 te melden bij het Artillerie
Meet Regiment te Amersfoort. Daar heeft Joh. vele herinneringen aan, zoals
tijdens Sint-Nicolaas avond, onder geleide gingen ze naar een gelegenheid
ergens in Amersfoort, maar het feest werd vroegtijdig afgebroken omdat er een
stel diaree kregen en met spoed terug naar de kazerne moesten worden gebracht,
om daar zo snel mogelijk de toiletten op te zoeken. Niet iedereen kreeg de kans
vroegtijdig in de kazerne terug te zijn en moesten aan de kant van de weg hun
broek laten zakken. De oorzaak van dit alles was waarschijnlijk bedorven vlees
dat was gegeten bij de maaltijd.
En dan die barre kou, ook op de kamers, als je ‘s morgens wakker werd lag
het ijs op je deken, dat was afkomstig van het uitademen.
Na de periode van Amersfoort gaan ze naar de Saksen Weimar kazerne in Arnhem,
en daar kan Joh. zich de Kapitein Kattekamp en sergeant Berens nog van
herinneren, ook de vele sneeuw die er viel, hij heeft nog een keer op wacht
gestaan samen met Toon Baltus, bij 17 graden vorst, zij ontdekte toen dat zij
op de zelfde dag geboren waren. Normaal bestond het wachtlopen uit twee uur op
en vier uur af, maar wegens de strenge kou was het toen één uur op en twee uur
af.
Als de infanterie training is afgelopen wordt hij overgeplaatst naar de
Menno van Coehoorn kazerne, waar hij één van de M.T. leden wordt, hij kan de
naam van die S. M. I. niet meer herinneren maar weet nog goed hoe enorm die
vent kon schreeuwen, en dan begint ook de chauffeurs opleiding, met de
vooruitzichten ook te worden uitgezonden naar het toenmalige Nederlands Indië.
Tiny de Bont
Was dienstplichtig soldaat en woonde op het moment dat hij in militaire
dienst gaat aan de Zuid Oosterfront nr
Kwam ook eerst onder de wapenen bij het Artillerie Meetregiment te
Amersfoort en ging later over naar de M. T. van het 4e Bataljon Prinses Irene
te Arnhem.
Dick Broekhuizen
Hij woonde op het moment dat hij in militaire dienst gaat in de Rosmolenstraat
Hij verteld een moeilijke tijd te hebben gehad gedurende de jaren 1940 -
1945, de laatste jaren was er niet
half genoeg te
eten, met het gevolg
verzwakking, thuis werden er voor
tijdverdrijf veel spelletjes gedaan.
Dan komt de tijd dat hij ook in
Jan Derksen
Jan verteld als volgt zijn verhaal:
Ik woonde 3 minuten vanaf de Menno van Coehoornkazerne, medio 1939 als ik
12 jaar ben, heb ik diverse baantjes in de avonduren gedaan, en in de zomer-
vakantietijd koperen brievenbussen- en bellen gepoetst, in de ochtenduren voor
de schooltijd bracht ik de krant rond, s’ woensdags middags bracht ik voor de
schoenmaker de gerepareerde schoenen naar de klanten en nam dan meteen de
schoenen mee, die voor reparatie werden aangeboden. Het gebeurde ook regelmatig
dat bij de aanvang van de lesuren
op school mij
werd gevraagd naar de kerk
te komen om “ lucht te trappen “
voor het stemmen van het orgel, de reden dat ik daarvoor werd gevraagd zou
kunnen zijn, dat ik tijdens de les vaak in slaap viel. Zo ging ik ook twee maal
per week bij een longarts in Arnhem de sintels uit de oven halen. Dit is nog
niet alles want ik had ook nog een baantje bij een poffertjes bakker uit
Zandvoort die zomers bij een gerenommeerd hotel stond met zijn kraam en ik de
bordjes en schoteltjes ging afwassen en tafels en stoelen opruimen.
Een leuke herinnering is dat ik met mijn broertje vlak voor de St. Nicolaas
in 1939 met onze neuzen tegen de etalageramen van V & D stonden gedrukt om
naar al dat mooie speelgoed te kijken, en een ( in onze ogen ) oude dame vroeg
waar onze belangstelling naar uit ging, mijn broer zei dat hij die spoortrein
die in die etalage rond reed zo mooi vond, en ik liet weten helemaal weg te
zijn van de mooie stoommachine die daar stond. De dame verzocht ons toen met
haar naar binnen te gaan in die zaak, wij moesten haar vast houden om haar in
de drukte niet kwijt te raken, om
het verhaal kort
te houden we
zijn daarna ook nog naar C &
A gegaan en werden daar in geheel nieuwe kleren gestoken, incl. nieuwe
schoenen, en wij gingen naar huis met ieder een grote zak waarin onze oude
kleren als ook de spoortrein en de stoommachine, bij thuiskomst was de eerste
vraag van onze moeder wat die dame met ons had gedaan, maar wij konden haar
gerust stellen want er was niets bijzonders gebeurd.
Toen ik op veertien jarige leeftijd van school af ging ben ik eerst bij een
Apotheker loopjongen geweest met een salaris van 50 cent per week, daarna ben
ik bij een bakker gaan werken en daarna op vliegveld Deelen, daar moest ik
helpen bij het repareren van barakken, naast dat terrein was een transportdienst
van de Duitse Weermacht, waar ik mij vaker ophield , bij die vrachtwagens was
ik niet weg te slaan.
Ik heb ook nog bij de rubberfabriek HEVEA gewerkt, eigenlijk in het belang
van mijn 6 zusters, op aanraden van mijn oude heer moest ik naar mijn werk met
veel te grote schoenen want dan kon ik ook nog een paar tennis schoenen mee
naar huis nemen.
Toen Arnhem geëvacueerd werd, na de luchtlandingen van 17 September 1944,
zijn mijn broer en ik gaan zwerven omdat er bijna niets meer te eten was, en
onze moeder was blij met onze distributiekaarten, die wij hadden achtergelaten.
Arnhem werd later via Westervoort bevrijd door de Canadezen.
Ik meld mij dan in April 1945 bij de Staf Hoofdkwartier van het Eerste
Canadese Veldartillerie. Na circa 4 weken gaven de Duitsers zich over, toen zat
ik in Nijkerkerveen en in Augustus vertrokken wij via Huis ter Heide naar
Zwijndrecht, daar volgde de Demobilisatie bij dat onderdeel, toen meldde ik me
als O. V. W. er bij de 14e Comp. A A T in de Cavalerie kazerne te Breda, daar
volgt een opleiding voor kennis- en onderhoud van autotechniek, een autorij
opleiding had ik reeds bij de Canadezen gevolgt, daarna is het diploma voor
Instructeur Rijopleidingen gehaald in de Ribberdakazerne te Haarlem.
Ik was 18 jaar en kwam in Zandvoort, waar ik voor het eerst de zee zag, en
verbijsterd was hoe groot die Noordzee was. Na deze opleiding werd ik geplaatst
in Arnhem bij het Regiment Prinses Irene,
daar ging ik met de rang van korporaal de rij opleiding verzorgen voor de
Prinses Irene mannen die naar Indië zullen worden gezonden, in het begin van
1947 werd mij gevraagd als o.v.w. er met het 4e Bataljon Prinses Irene mee te
gaan naar Indië, met de bedoeling chauffeur te worden van de Bataljons
commandant Overste Harkema, dat was mij verzocht door de M. T. O. 1e Luitenant
v. d. Veen
Tijdens het lesgeven gingen iedere ochtend 4 dienstplichtigen mee in een
dump auto met rechtse besturing en iedereen was altijd benieuwd waar de reis
het eerste naar toe ging want de aspirant chauffeurs kregen om de beurt de kans
naar hun ouderlijk huis te rijden en dat werd zeer op prijs gesteld, maar ook
werd er op vliegveld Deelen vaak geoefend, daar werd o.a. met de truck een
houten uitkijktoren omver getrokken, de kolen waren nog schaars en Jan Derksen kon
dat hout thuis best gebruiken. Wat waren de jongens altijd trots als zij de
truck bestuurde bij aankomst van hun thuisadres, zo zijn er heel wat boeren
erven op - en - af gereden. Als de dienst ten einde liep werd de terugweg naar
de Menno van Coehoorn - of Saksen Weimar kazerne aanvaard en zocht ieder weer
zijn eigen onderkomen op. Al met al was het een gezellige tijd, alleen had de
voormalige commandant, de Kapitein Kelderman, liever dat Jan in Nederland
zou blijven, maar er was een belofte aangegaan met de
M. T.O. - A. v. d. Veen dat hij zou
mee gaan naar Indië, en een belofte maakt schuld, zodat Jan die ook heeft
ingelost.
Op een keer had Jan bijna de Overste van Emden onder zijn truck zitten,
volgens van Emden was het de fout van Jan, als het nog eens zou gebeuren zou
hij niet mee naar Indië mogen.
Hier volgen nog herinneringen van Jan Derksen !
Medio Maart 1946 stond ik op wacht bij de Menno van Coehoorn- kazerne in
een wachthuisje, een stel o.v.w. ers waren bezig met dat huisje heen en weer te
duwen tot deze uiteindelijk uit balans raakte en voorover viel, ik had mijn
duim steunend aan de trekker van het geweer dat geladen was met scherpe munitie
en door de val van het huisje ging het geweer af, er volgde een knal; en een
gat in het dak van het huisje, een gebroken vensterraam en ook een gat in de
schoorsteen van de winkel die zich tegenover de kazerne bevond. Het leverde mij
een hele week zwaar arrest op, hoofdzakelijk omdat de veiligheidspal niet stond
zoals het hoorde. Ik woonde toen nog bij mijn ouders en omdat ik zo dicht bij
het Militaire Hospitaal woonde werd mij gevraagd of ik genegen was om chauffeur
op de ambulance te zijn in de weekenden, dat aanbod heb ik toen aanvaard. Ook
in de weekenden werden de maaltijden in de Saksen Weimarkazerne verzorgd voor
die militairen die aanwezig waren in de Menno van Coehoornkazerne, ik bracht
die maaltijden dan weg “ Om mijn moeder een plezier te doen” want er was altijd
teveel eten, vooral gehaktballen, want er waren nog kinderen thuis, en die
waren blij met dit voordeel
Het was een strenge winter in 1945 / 1946 en er waren bijna geen kolen om
de kazerne warm te stoken Wij kregen toen opdracht met 6 drietonners (dump
model) naar Heerlen in Limburg te gaan voor het halen van die brandstof. Op de
terugweg hadden wij veel pech, de een had een lekkende radiateur, de ander een
defecte dynamo en met kunst en vliegwerk werd dat opgelost, in ieder geval
hadden wij thuis kolen genoeg !
Jaap Gravesteijn
Was dienstplichtig soldaat en woonde op het moment dat hij in militaire
dienst gaat aan de Houtkade nr
Jaap heeft wel altijd een dagboek bijgehouden en daarvan heeft hij zo nu en
dan een stuk prijs gegeven, hij heeft ook zijn persoonlijke toestemming gegeven
daar gebruik van te mogen maken voor dit boek. De breuk van het kontakt met zijn dienstmakkers is gekomen nadat
Jaap kennis kreeg aan een nieuwe levenspartner.
Dat werd wel door iedereen betreurd want Jaap wist altijd nog veel te
vertellen uit de tijd dat hij met zijn dienstmakkers optrok. Uit de verhalen in
dit boek zal dat ook wel blijken.
Arie Hagen
Was oorlogsvrijwilliger en woonde op het moment dat hij in militaire dienst
ging in de Oost Peterstraat nr
Cor v. d. Horst
Was korporaal oorlogsvrijwilliger en woonde in Amsterdam, omdat Cor is
overleden voordat begonnen werd met het schrijven van dit boekwerk, en er ook
geen kontakt meer mogelijk is met zijn nabestaanden, zijn er over hem geen
gegevens te melden.
Gerard v. d. Hurk ( had de bijnaam
Moppie )
Kwam oorspronkelijk uit Heerhugowaard, hij kwam ook als enkele anderen
onder de wapenen bij het Artillerie Meetregiment te Amersfoort maar ging later
ook over naar het 4e Bataljon Prinses Irene te Arnhem om daar te worden
ingedeeld bij de M. T. van de Staf. Cie.
Moppie bleek al gauw een buitenbeentje te zijn, waarvoor hij door
velen op de vingers werd getikt, daar
werd door Moppie om gelachen. De wijze waarop hij zijn uniform droeg was
slordig, hij had een flinke bos haar en daar paste nauwelijks zijn baret op, en
die droeg hij dan ook slechts als het niet anders kon zoals op het appél. Het
was een bijzonder mens.
Wim Uitentuis verteld hierover het volgende: Alle soldaten hebben
natuurlijk hun persoonlijke eigenschappen, maar twee van ons vielen wel
bijzonder op en dat waren Gerard v.d. Hurk - met de bijnaam Moppie, en Arie
Jongenelen ook wel Sarreltje genoemd.
Beide hadden als eigenschap een hekel te hebben aan het marcheren, iets wat
in de eerste periode dikwijls gebeurde, vaak waren het afstanden van tien
kilometer of langer. Als de twee genoemden er lucht van kregen dat er weer zo’n
marsoefening zou plaats vinden dan melden zij zich vrijwillig voor een
kamerwacht - dienst. Er was nl.. een regel dat er altijd iemand zo’n dienst
kreeg, die dan de verantwoording had over de spullen op de kamer, terwijl de
anderen mee gingen op een oefening, in dit geval dus een marsoefening. Maar het
lukte beide niet altijd voor deze dienst in aanmerking te komen en als de heren
dan moesten meelopen gebeurde het steevast dat zij het peloton niet konden
bijhouden en langzaam achteraan kwamen te lopen en bij een moment dat het even
mogelijk was plotseling uit het zicht verdwenen.
Het gebeurde bij een tamelijke lange mars, toen Moppie zich had weten te
drukken, en het peloton bijna terug
was bij de kazerne er een vrachtauto voorbij reed en wij achterop de klep van
die wagen Moppie zagen zitten, iedereen brulde van het lachen tot ergernis van
onze meerderen.
Egbert de Jager
Was Sergeant oorlogsvrijwilliger Hoofd werkplaats en kreeg na de 2e
Wereldoorlog zijn opleiding in Engeland, tijdens de opkomst in Arnhem van het
4e Bataljon Prinses Irene was hij Sergeant en behoorde bij het kader dat de M.
T. moest opleiden, en ging ook als zodanig mee naar Indië.
Hij werd geboren op 12 Mei 1925 te Nes in Friesland, en op het moment dat
hij in militaire dienst gaat woonde hij in Ooster Nijkerk op het nr. J 172. Hij
was een jongen in een gezin van tien kinderen, zijn vader was vaste arbeider
bij een boer die een gemengd bedrijf had.
Na de lagere school ging Egbert als leerling knecht in een smederij in Nes
werken, daar mocht hij het vak leren, dat inhield dat er de eerste tijd niets
werd verdiend, later werd dat 50 cent per week. Twee avonden per week volgde
hij ook nog een cursus op de Ambachtsschool in Dokkum.
In 1940 werd hij knecht bij smid Scherjon in Ee, hij bleef daar vijf jaar
en was de laatste acht maanden van de 2e Wereldoorlog volledig inwonend, en als
onderduiker kon hij ook gewoon aan het werk blijven.
Direkt na de bevrijding meldt Egbert zich als Oorlogs vrijwilliger en
vertrekt op 30 Juni 1945, samen met andere
vrijwilligers uit omliggende dorpen,
uit Dokkum naar Mill.
Vandaar gaan ze naar Engeland voor hun opleiding, in Februari 1946 mag hij
een week met verlof omdat zijn zuster gaat trouwen, en in November 1946 komt
hij weer in Nederland en wordt ingedeeld bij de M.T. van het 4e Bataljon
Prinses Irene, die gelegerd is in de Menno van Coehoornkazerne in Arnhem. Dit
wordt voor Geertje, zijn toenmalige meisje, een mooie tijd ze hebben verkering
en Egbert komt ieder weekend naar huis.
Na ruim een half jaar in Arnhem te zijn geweest volgt op 4 Juni 1947 de
reis met het MS. Tabinta die hen naar het voormalig Nederlands Indië voert,
wetenswaardigheden over die tijd zijn verloren gegaan want op het moment dat
dit boek wordt geschreven is Egbert overleden.
Egbert komt na bijna drie jaar Indië weer behouden thuis, de vrijwilligers
mochten namelijk eerder naar huis dan de rest van het Bataljon.
Arie Jongenelen
Was dienstplichtig soldaat en woonde op het moment dat hij in militaire
dienst gaat aan de Kruisweg nr 680 te Hoofddorp , Arie was de jongste uit het
gezin, hij had 10 broers en 6 zusters.
De ouders hadden een tuinderij op het zelfde adres, waar later de
kinderen voor een deel in opgroeiden. Op
die tuinderij werd eerst groenten geteeld die op de markt in Haarlem werd
verkocht, zo werd er voor de handel ook groenten en tomaten op veilingen in
Aalsmeer en Ter Aar ingekocht. Dré, zoals Arie thuis werd genoemd, beschikte al
op jonge leeftijd over een handelsgeest, want hij had toen al een eigen huisje
waar hij de groenten voor de verkoop gereed maakte, en door zijn vader werd
verkocht. Aangaande het verdere verloop van dit gezin is te lezen in hoofdstuk 08.
Arie, kwam ook in dienst bij het Artillerie Meetregiment te Amersfoort, en
werd later overgeplaatst naar het 4e Bataljon Prinses Irene te Arnhem om daar
te worden ingedeeld bij de M. T. van de Staf Compagnie.
Bij het stuk dat over Moppie werd beschreven kwam ook de naam Arie
Jongenelen voor, zoals gezegd was het ook een bijzonder figuur, hij mocht ook
graag iemand op de kast jagen.
Hij kon het doen met een ernstig gezicht zodat je dacht dat hij het meende.
Hij kon ook goed slapen. Op een zekere dag vertelde Arie aan een korporaal dat
als hij op een ruwe wijze gewekt zou worden dat de mogelijkheid bestond dat hij
dan met een schok overeind zou komen, zijn hoge dienstschoen onder zijn bed zou
pakken en daarmee om zich heen zou slaan.
De bewuste korporaal heeft Arie
dan ook lange tijd zeer voorzichtig gewekt, en dan lag Arie met een schijnheilig
gezicht te grinniken. Zoals gezegd kon hij ook erg goed slapen, zo vast dat hij
bijna niet wakker was te krijgen. Vooral als hij s’ avonds een borrel had
gedronken.
Wim Uitentuis kan zich nog herinneren dat zij Arie op een ochtend met een
paar riemen hebben vastgebonden aan zijn bed, en Arie met bed en al overeind
tegen de wand hebben geplaatst, terwijl Arie gewoon door bleef slapen.
Op een andere keer is hij door een man of vier met zijn bed en al buiten in
de sneeuw gezet, en toen bleef Arie ook gewoon doorslapen.
Gerard van Leeuwen
Was korporaal oorlogsvrijwilliger en
woonde op het moment dat hij in militaire dienst ging in de J.
Fransstraat nr. 83 B in Rotterdam, hij
heeft later blijk gegeven geen interesse te hebben in dit boek, zoals hij liet
weten zijn het zijn eigen memoires wat hij in voormalig Nederlands Indië heeft
beleefd, en daar heeft een ander niets mee te maken.
Henk
Meinderts
Was dienstplichtig soldaat en woonde op het moment dat hij in militaire
dienst ging aan de Kleine Buuren nr 126 teWarga - Friesland.
Luc Paardekooper
Was dienstplichtig soldaat, Geboren 4 Juni 1926 a/d Apeldoornseweg. Op de
Rozendaalse Golf Club woonde en werkten zijn ouders, ook de grootouders woonden
daar, vader was o.a.. Caddy meester. Luc had alleen een vier jaar oudere broer,
zij woonden nog al afgelegen van de stad onthouden van electriciteit, gas en
waterleiding. Op jonge leeftijd moest Luc al helpen op de Golfbaan, en bij het
verbouwen van een stukje land voor hun levensbehoefte, vandaar zal later wel de
interesse zijn ontstaan voor een volkstuin.
De lagere school ging hem niet zo goed af, maar daaren tegen had hij twee
rechtse handen.
Na het doorlopen van de school komt hij in dienst bij de Gemeente
reiniging, daar heeft hij veertig jaar gewerkt tot aan zijn pensioen met een
onderbreking voor zijn militaire dienstplicht.
Hij was één van de gelukkigen die na zijn diensttijd terug kon komen bij
zijn werkgever.
Luc kwam op voor zijn dienstplicht in de Menno van Coehoornkazerne te
Arnhem, dat werd later de Saksen Weimarkazerne, zijn dienstmakkers hebben hem
ervaren als een goed gehumeurde, eerlijke en fijne kameraad, hij is zijn
dienstmakkers ook altijd trouw gebleven.
Eef Scheerder
Was oorlogsvrijwilliger en woonde op het moment dat hij in militaire dienst
ging in de Daendelstraat nr 7 te Arnhem,
hij was een jeugd / schoolvriend van Arie Hagen. Eef heeft na zijn Indië
tijd te kennen gegeven niets meer te doen willen hebben met zijn
dienstkameraden, later als er na het overlijden van Arie Hagen kontakt ontstaat tussen Jan Baas en de
dochter Corrie Hagen komt het zover dat Corrie een bezoek brengt aan Eef
Scheerder en hij beloofd wat te zullen schrijven voor dit boek, helaas komt hij
te overlijden in Augustus 2001 zonder dat hij de kans heeft gekregen nog iets
aan dit boek toe te voegen.
Joop v. d. Stelt / korporaal beheerder
van het B.O.S. depot (brandstof en smering)
Was oorlogsvrijwilliger en woonde op het moment dat hij in militaire dienst
gaat in de Emmastraat nr 21 te Voorburg,
hij was in dienst bij het Staatsbedrijf der PTT toen hij zich aanmeldde
voor vrijwillige dienstneming met de wetenschap dat de mogelijkheid bestond
naar Indië te worden gestuurd, hij
heeft wel gedurende hele militaire diensttijd zijn salaris bij de PTT doorbetaald
gekregen, althans een groot gedeelte daarvan.
Victor Strack van Schijndel
Was dienstplichtig soldaat, geboren te Rotterdam op 10 Juli 1926 , op het
moment dat hij in militaire dienst ging woonde hij aan de Centuurbaan nr 28 B,
hij was het 6e kind uit een gezin met 7 kinderen. Groeide op in de Rotterdamse
volkswijk Crooswijk, en had tot 1940 een
onbezorgde jeugd, zijn wereld veranderde na de inval van de Duitsers. Hij
maakte het bombardement van Rotterdam van zeer nabij mee, het ouderlijk huis ontsnapte
aan de massale branden doordat op het laatste moment de wind draaide.
Door de oorlogsjaren veranderde het “spelen op straat” nog al drastisch,
dat werd nu spelen in het puin en “ vlotjevaren ” in de kelders van de verwoeste Amsterdamse
bank aan de Coolsingel. Ook werd hier de term “ puinvoetbal “ geboren.
Tussen de bedrijven door werden de lagere en middelbare school doorlopen
zonder al te veel problemen. Typisch was dat van de weinige gebouwen, die rond
de Goudsesingel lagen en gespaard bleven, zijn school er één van was.
In 1944 kwamen de razzia’s op gang waardoor veel landgenoten aan de “ Arbeitseinsatz “ ten offer vielen, maar met
enig geluk wisten de ouders samen met Vic en zijn oudste broer daar aan te
ontkomen en waren vanaf die tijd gedwongen onder te duiken. Daar kwam begin
1945 een einde aan toen Vic en zijn broer werden opgepakt en in het
concentratiekamp Amersfoort belandden. Ondanks dit onfortuin hadden zij weer
geluk want toen de trein hen naar het concentratiekamp Neuengamme zou vervoeren
werden zij gebombardeerd, daardoor bleven zij de ellende van het
concentratieleven bespaard en konden tot de bevrijding in Nederland blijven.
Na de oorlog volgde Vic nog enkele administratieve cursussen en werkte als
boekhouder bij een Rotterdams transportbedrijf, en behaalde daar ook zijn
rijbewijs. Op 7 November 1945 meldde ook hij zich in de Menno van
Coehoornkazerne in de wijk Klarendal te Arnhem, en daar begon zijn militaire
loopbaan.
Vic kwam terecht bij het 4e Bataljon Prinses Irene, en werd ingedeeld bij
Ondersteunings compagnie, en wel bij het Infanterie pionierspeloton onder het
commando de 1e Luitenant Kerssemakers. Na diverse opleidingen komt het
Inschepingsverlof, en daarna inscheping op het m.s. Tabinta
Harry Timmermans
Geboren op 24-03-1921, was Sergeant oorlogsvrijwilliger, m.t.o.o.
Plaatsvervanger van 1e Luitenant A. v.d. Veen, op het moment dat hij in
militaire dienst gaat woont hij in de Fuchsiastraat
Al in een vroeg stadium weet hij in Engeland te komen en meldt zich als
O.V.W. er ( Oorlogsvrijwilliger ) in 1945 wordt hij ingedeeld bij de D.N.V.N.
in Keseick alwaar een chauffeurs opleiding wordt gevolgd.
Daarna krijgt hij een technische opleiding voor alle militaire voertuigen,
incl. rupsvoertuigen.
Terug in Nederland krijgt hij de rang van Sergeant en wordt in de Menno van
Coehoornkazerne te Arnhem instructeur bij de M.T. van het 4e Bataljon Prinses
Irene.
Met de rang van Sergeant gaat hij mee op de Tabinta naar voormalig
Nederlands Indië, voor de M.T. manschappen is vanaf die tijd zijn roepnaam Timmy, en wordt in het algemeen ervaren als
iemand die niet op zijn strepen staat
Tommy Tol
Was dienstplichtig soldaat, geboren op 1 Januari 1926 te Volendam, alwaar
hij op het moment dat hij in militaire dienst ging woont in de Haringstraat nr
8. Het was ook een echt Volendam’ s gezin waar Tom deel vanuit maakte en
bestond uit 9 personen, twee zussen, en twee broers liepen in de traditionele
Volendamse klederdracht. De mannen van dit huishouden werkten allemaal in de
vis.
Toen Tom een jochie van 12 jaar was ging hij als fietsjongen naar Amsterdam
om daar de visbestellingen rond te brengen, dat gebeurde met een transportfiets
met een grote mand voorop. Om bij de trappers te kunnen komen had men houten
klossen aan de trappers gemaakt. Voor zo’n jochie viel dat niet mee, vooral in
de winters die toen streng waren. Natuurlijk was het niet zo druk in die tijd.
De laatste jaren van de 2e Wereldoorlog werkte Tom in de visrokerij van
Volendam. Ook zijn oudere broers werkten daar, maar bij een razia sliepen zij
in de rokerij, maar soms ook wel in de eenden hokken even buiten Volendam, het
stonk daar vreselijk, het slapen in de rokerij was dan toch even prettiger.
Toen de oorlog was afgelopen kon Tom dus weer zijn oude werk in Amsterdam
oppakken, maar zoals bij alle andere jeugdige personen was die tijd voorbij
gegaan zonder daar enige vreugde aan te beleven.
Toen kwam de brief waarmee te kennen werd gegeven dat Tom gekeurd moest
worden voor de militaire dienst, en later moest opkomen in Amersfoort bij het
Artillerie Meetregiment, zoals de andere waarmee Tom later werd overgeplaatst
naar Arnhem om te worden ingedeeld bij de Staf Compagnie van het 4e Bataljon
Prinses Irene en bij de M.T. kreeg hij zijn chauffeurs opleiding.
Wim Uitentuis
Was dienstplichtig en woonde in Edam
aan de Graaf Willemstraat Nr. 15 , toen hij in militaire dienst kwam. Zijn ouders waren veehouders en Wim
werd daar op acht jarige leeftijd al ingezet om het melken te leren en toen hij
die kunst onder de knie had moest hij voor- en na schooltijd helpen op de
boerderij bij het melken. Dat betekende s’ morgens vroeg opstaan en s’ avonds
bijtijds naar bed. De veestapel was niet groot, de twaalf koeien brachten amper
genoeg op voor een gezin van vijf personen, daarom was vader Uitentuis begonnen
met een kleine melkwijk onder de buren. Maar de melk was soms zo vers dat de
vrouw van de bakker er zich soms over beklaagde en vroeg of de melk soms
“Opgewarmd” was.
Wim en zijn drie jaar oudere broer Arian moesten om de beurt s’ avonds de
melk bij de buren bezorgen, het was goed leven op de boerderij, s’ winters was
het altijd lekker warm in de koeien stal en zomers waren zij vaak op het land,
in de buitenlucht. De boerderij was echter gelegen midden in de stad Edam,
daarom moesten ze op de fiets naar het land om te melken, het was maar tien
minuten fietsen maar toch altijd bezwaarlijk met het oog op het slepen van de
emmers en dergelijken. Over slepen gesproken, zomers moest het hooi van het
land worden gehaald en naar Edam worden gebracht, dat ging met paard en wagen
maar soms gebeurde dat ook wel eens met een z. g. koeboot, ook dat was een hele
sleperij.
Zo ook als de koeien in de winter op stal stonden, dan moest de mest en de
gier naar het land worden gebracht per paard en wagen, of soms per boot, als
het ijs sterk genoeg was werd gebruik gemaakt van een grote slee met daarom een
grote kist van ongeveer drie kub. inhoud . Wim en zijn oudste broer stonden dan
op scherp door middel van een paar schaatsen, het is wel eens gebeurd dat het
totaal gewicht van de slee te groot was en door het ijs zakte, dat gebeurde ook
wel eens als de boot met teveel mest beladen was, die koeboot lekte ook een beetje
waardoor deze al gauw te diep kwam te liggen. Ook werd het hooi soms met die
boot binnen gehaald, dat was altijd een erg warme tijd, die begon in midden
Juni en duurde in de regel tot half Juli. Het hooioogsten werd hoofdzakelijk
met de hand gedaan, eerst het gras maaien, daarna keren en schudden, dan
inharken en hopen maken. Wim kreeg samen met mijn broer Arian speciaal vrij van
school om mee te helpen bij dit werk, de bezigheden die verband houden met dit
werk, daarvoor is een speciale handigheid vereist, die hadden wij van jongs af
aan geleerd en zij konden dan ook tegen een volwassen persoon op. Het thuis
rijden van het hooi was altijd leuk, wij mochten dan boven op het hooi
meerijden. Als het hooi wat vroeg in het jaar was binnen gehaald begon het wel
eens te broeien en dat was een prettige aroma. Als het te heet werd moest er
iemand bij komen met een speciale temperatuur meter, dan werd de temperatuur in
het midden van de hooiberg opgemeten, en als deze te hoog was werd “Spitten”
aangeraden om een e.v. brand tegen te
gaan. Er werd dan een gat gegraven midden in de hooiberg met behulp van een
graaf, dat is een soort spade die in een punt uitliep en erg scherp was. Hoewel
op jonge leeftijd moest worden bijgesprongen met al deze werkzaamheden ging Wim
en zijn broer toch ieder jaar logeren bij een oom en tante, Wim ging dan een
paar weken naar Alkmaar, en de broer naar Halfweg.
Maar voordat zij weggingen moest altijd het land worden geslecht, dat wil
zeggen : De stront moest op hopen worden gebracht door middel van een “
Slechtvork ”, maar ook moesten wij nog “ Stekelen prikken “ dat hield in dat
alle stekels uit de grond moesten worden getrokken.
De jongste zoon van het gezin was Cees, hij werd geboren in 1930, ondanks
dat hij het melken ook op jeugdige leeftijd had geleerd werd hij niet zo vaak
bij werkzaamheden op de boerderij aan het werk gezet, hij ging later naar de
ULO en kreeg daardoor een baan op een kantoor.
Wim en zijn broer Arian verlieten de Openbare Lagere School op 14 jarige
leeftijd en gingen toen full time op de boerderij werken. Ondertussen had vader
Uitentuis zijn melkwijk uitgebreid tot een zaak in zuivelprodukten en had er
zelfs een klein winkeltje bij, hij was niet meer nodig op de boerderij, want
dat konden zijn twee zoons wel af. Wim was
na het verlaten van de lagere school een vier jarige cursus gaan volgen
op de Landbouw winter school te Purmerend en slaagde voor zijn diploma. De
boerderij was eigenlijk te klein voor een volledige dagtaak en daarom werd er
ook gewerkt op omliggende boerderijen. Wim werkte ook als stoker op het
Stoomgemaal waar het water op pijl werd gehouden. Dat was niet zo makkelijk met
de spertijden die was ingevoerd tijdens de bezettingstijd. Het gebeurde wel
eens dat het 14 dagen achter elkaar had geregend en dan moest er 24 uur per dag
worden gemalen. Het probleem was dat er maar twee ploegen waren die om beurten
8 uur werkten, maar dat liep in de war door die sper tijd. Er werd toen
overgegaan op 12 uur achtereen werken en dan 12 uur vrij, maar toen dat gebeurde
was het alleen maar werken en slapen, en was iedereen blij toen er een regen
vrije tijd kwam. Het werd later ook te gevaarlijk vér van huis te werken want
als er onverwachts razzia’s kwamen werd het te link, thuis was er een geheime
schuilplaats in het midden van de hooiberg en daar was het veiliger. Arian was
in het bezit van een Ausweis, maar het was toch raadzaam uit de buurt van die
Moffen te blijven.
Edam ligt midden in Waterland, dat betekend dat het land van de boerderij
Uitentuis omringd was door grachten en sloten en er s’ winters volop
gelegenheid was om te schaatsen. Na een paar goede nachtvorsten waren de
gebroeders Uitentuis in de regel als eersten op het ijs te vinden. In de jaren
1940 - 1945 was Wim zo goed vertrouwd op de schaats dat hij de vijf dorpen
tocht afreed, met afstanden van 60 - tot
Het was dan ook voor menig rijder niet haalbaar. De start was om 8 uur in
de ochtend te Purmerend, het was nog donker, via Monnickendam ging het naar
Edam en Hoorn, dan voor de wind Westwaarts naar Alkmaar, vervolgens naar het
Alkmaardermeer in zuidelijke richting naar de Zaanstreek en tenslotte in het
donker, tegen de wind in naar Purmerend.
Het bracht een medaille op maar die tocht zal men niet gauw vergeten. De
gebroeders Uitentuis waren geen vreemden op sportgebied, zij waren ook lid van
het Keurkorps Purmerend en omstreken dat in die dagen een hele eer was. Wim is
dankbaar dat hij de sportactiviteiten altijd heeft blijven bijhouden, het heeft
hem ook altijd goed gedaan.
Dat leven op de boerderij ging gedurende de Tweede Wereldoorlog gewoon
door, hoe groot de problemen op het laatst ook werden, maar toen Wim zo
Het zelfde verhaal als enkele voorgangers, ook hij kwam in dienst bij het
Artillerie Meetregiment te Amersfoort om later te worden ingedeeld bij het 4e
Bataljon Prinses Irene te Arnhem waar hij een chauffeursopleiding kreeg bij de
M. T. van de Staf Compagnie.
Zoals bekend waren er in Arnhem weinig drie tonners ter beschikking voor de
opleiding van de chauffeurs, een
deel van de manschappen van de M. T. hadden al een burgerrijbewijs, voor die personen werd instructie
gegeven hoe met militaire voertuigen moest worden omgegaan, in het algemeen
golden ook andere gebruiksnormen dan in het burgerleven.”
Zo kreeg ik al gauw te maken met de rijinstructeur korporaal Derksen die
mij in zijn Arnhems dialekt kwam vertellen dat we een stukje gingen Rije.
Er stond een ¾ tonner gereed
en daar zou hij me het schakelen mee laten oefenen, want zoals hij zei was dat
mijn zwakke kant.
Er werd begonnen op het exercitie terrein, daar moest ik op - en terug
schakelen waarbij gebruik werd gemaakt van “ Dubbel clutschen en tussengas geven “, dat
terugschakelen was het moeilijkst maar na een tijdje kreeg ik het aardig onder
de knie en vond de instructeur het goed dat wij het kazerneterrein verlieten en
richting Amsterdamsestraat op gingen, het ging verder zonder enig probleem,
waarvoor nog bedankt Jan Derksen !
Het was in de winter van 1947 toen het verlof van Wim ten einde was en hij
met het Boemeltje vanaf Edam naar Amsterdam zou gaan, Tommy Tol stapte in
Volendam op en Wim uiteraard te Edam. Het had de laatste dag flink gesneeuwd en
onderweg kwam er veel stuifsneeuw dat zich zo ophoopte dat de tram vast kwam te
zitten. Lopend hebben ze toen het laatste stuk naar Amsterdam afgelegd, het was
inmiddels nacht geworden en het was alleen nog mogelijk met een trein tot
Utrecht te komen en daar in een kazerne te overnachten.
De volgende morgen schreef de Officier van Piket van de kazerne een
bewijsje uit waarmee kon worden aangetoond dat die overnachting daar
noodgedwongen had plaats gevonden, de conducteur van het tram had een bewijsje
uitgeschreven. Bij aankomst in de kazerne te Arnhem werd er dan ook wel naar
die bewijsstukken gevraagd.
Wim verteld verder:
Zo werd er ook in groepsverband geoefend, kort voor ons inschepings verlof
kreeg Toon Baltus een rijopdracht om met Tommy Tol en mijn persoontje naar
Groningen te gaan en daar te overnachten om daarna de volgende dag via Friesland,
afsluitdijk, Noord Holland en Utrecht weer naar Arnhem terug te rijden. Dit
moest een rijles worden vooral voor Tommy en mij, want Toon was immers al een
geoefend chauffeur vanuit het burgerleven. Toon was dus ook verantwoordelijk.
Het was echt een opdracht naar onze zin, het was de strenge winter van 1947 en
mooi voorjaarsweer, er was in die tijd ook weinig verkeer op de weg, en om
beurten zaten wij achter het stuur. Aangekomen in Groningen zochten wij de
aangewezen kazerne op en gingen daar overnachten, dit leverde ook geen enkel
bezwaar op. De volgende dag waren wij al vroeg op pad, wij hadden
lunchpakketten mee gekregen voor onderweg. De rit verliep voorspoedig en op de
afsluitdijk kwam het idee eerst maar naar Castricum te gaan, en daarna via Volendam
en Edam naar Amsterdam, maar omdat dit teveel tijd in beslag zou nemen werd er
maar besloten Castricum te vergeten en naar Volendam te rijden en thuis bij
Tommy op de koffie te gaan, natuurlijk wist Tommy goed de weg en parkeerde de
drie tonner vlak voor de deur van zijn ouderlijk huis, en dat versperde bijna
de hele rijbaan. Bijna alle buren in de straat kwamen naar buiten om ons te
begroeten, de koffie bij moeder Tol smaakte goed, er moest op z’n Volendams ook
nog een koekie bij, dat betekend daar niet één koekie maar een hand vol !
Wij gingen eigenlijk veel te gauw weer weg maar moesten op onze tijd
letten, nu moest ik achter het stuur en wij reden door de nauwe straten van
Edam naar de Graaf Willemstraat, en ook hier hadden wij veel bekijks, want
sinds de bevrijding had men hier zoiets niet meer gezien.
Vader Uitentuis was zo trots als een pauw en kon er bijna niet bij dat zijn
zoon met zo, n kolossale wagen kwam aanzetten, hij was zelf vroeger ook in
militaire dienst geweest en was daar ingedeeld bij de afdeling wielrijders, en
was daarom trots dat zijn zoon het zover geschopt had. Ook hier werd weer
spoedig afscheid genomen en het was Toon die ons naar Amsterdam bracht, dat was
hem wel toevertrouwd ons door Amsterdam te rijden want in zijn burgerleven kwam
hij daar dikwijls met de vrachtwagen. We reden langs de grachten en er was
zeker markt geweest want men was de stalletjes aan het afbreken, hier en daar
lagen dozen en kisten en overal stonden handkarren en bakfietsen zodat daar met
moeite tussendoor was te komen. Ik merkte ineens dat er iets werd geraakt en
zei : Toon je hebt iets aangereden en keek achterom. Niet omkijken zei Toon,
doe maar net of je neus bloed, we rijden gewoon door en zo kwamen wij zonder
verdere akkefietjes in Arnhem. Wij hadden een pracht rit gehad, alleen dat
geval op die gracht in Amsterdam, maar misschien zouden wij daar niets meer van
horen ? Echter een week later moest Toon op het matje komen bij onze M. T.
O. en die zei tegen Toon dat er een
klacht uit Amsterdam was gekomen, en vroeg of hij daar ook was geweest want de
klacht betrof het beschadigen van een handkar.
Ikke zegt Toon, wij zijn wel in Amsterdam geweest maar als dat zo zou zijn
dan hadden wij het toch wel gehoord, dat
heeft die vent uit zijn duim gezogen, die handkar was natuurlijk al beschadigd
en die vent dacht ik neem gauw het registratienummer op en probeer de Regering
voor de kosten te laten opdraaien. Wij hebben er nooit meer iets van gehoord,
maar natuurlijk was er wel iemand gedupeerd !
Albert v.d. Veen
Was Reserve Officier / 1e Luitenant M. T. O. geboren 18 Januari 1918 te Amsterdam /
Buiksloot, tijdens zijn Indië periode is zijn huisadres in de Korte
Mijdrechtstraat te Amsterdam. Hij kwam
in
Gijs Vermeulen
Was dienstplichtig soldaat en woonde in Huissen ( Gld.) op een boerderij,
gelegen aan de G 77, hij is opgegroeid in de agrarische sector, zoals hij laat
weten met veel plezier. Samen met ouders, zusters en broers waren zij dagelijks
bezig met de hoofdtak van een gemengd bedrijf.
Zoals alle kameraden die in dit boek beschreven zijn moet ook hij er aan
geloven en opkomen voor zijn militaire dienstplicht in November 1946, eerst
wordt hij geplaatst in de Saksen Weimar kazerne voor een opleiding bij de
infanterie, daarna komt ook hij bij de Staf Compagnie en wordt ingedeeld bij de
M.T. waar een chauffeursopleiding volgt.
Ton Weterings
Was dienstplichtig korporaal automonteur en woonde op het moment dat hij in
militaire dienst ging in de Rochussenstraat nr
Als jongste telg uit een gezin van 6 personen, t.w. twee oudere broers, en
oudere zuster, groeide ik vanaf 1926 op in een Haagse volkswijk, Mijn vader was
in dienst bij de Nederlandse Spoorwegen als rangeerder, en mijn moeder
bestuurde het gezin. De jonge kinderjaren bracht ik door van 1930 t/m 1932 bij
de zusters op de bewaarschool, zoals dat toen werd genoemd. Daarna kwam ik op
een Katholieke lagere school, die ik weer verliet in 1939. Tijdens die
schooljaren vroeg mijn moeder wel eens wat ik later wilde worden, en omdat in
die tijd de auto’s en fietsen mij aantrokken, en vrachtwagens die onder anderen
kettingaandrijving hadden, alsmede fietsen maar ook stoomwalsen die werden
gebruikt voor de wegenbouw, was mijn keuze in die richting. Tijdens de vakantie
op de lagere school reed ik vaak mee met een expediteur / bode dienst waarvoor
ik s’ morgens rond half acht met mijn pakje brood al op het betreffende
voertuig stapte en richting Lisse, IJmuiden, Beverwijk en Zaandam reed om ook bij alle tussenliggende
plaatsen goederen te bezorgen. Ook hielp ik vaak bij het bezorgen van de
Katholieke illustratie, bladen van Sjors en Frederik Fluweel. Daarna ben ik lid
geworden van een voetbal vereniging, eerst speelde ik op de zaterdag maar in de
hogere klassen ook op Zondag, maar pas na 12.00 uur want eerst was er de plicht
om naar de kerk te gaan.
In mijn schoolrapporten stond vermeld dat ik graag voetbalde, dat kwam ook
omdat ik vanaf de 5e klas tijdens de pauze van een kwartier altijd ging
voetballen en dat gebeurde op het voet bal speelpleintje waar ik dan heen
vluchtte, na dat speelkwartier kregen wij handenarbeid, maar het voetballen
vond ik veel belangrijker. Op de route van school naar huis kwam ik langs mijn
oom die schoenmaker was, die hielp ik dan met het poetsen van de schoenen, en
ging die ook bezorgen, ik poetste ook altijd mijn eigen kaal getrapte schoenen
zodat ik keurig thuis kwam. Bij dat voetballen trapte je ook wel eens een bal
in een dakgoot, ik klom dan langs de regenpijp naar boven en ben ook wel eens
door een politie agent gesnapt die mij met zijn Harley Davidson mee naar het
bureau nam, want voetballen op de openbare weg was verboden. Mijn moeder die
dan op dat moment meestal in de keuken bezig was met de maaltijd moest mij dan
komen ophalen, en dat werd niet in dank afgenomen en leverde dan ook een pak
slaag op, ik moest op de volgende vrije woensdagmiddag dan ook thuis blijven.
Na de lagere school te hebben doorlopen ging ik naar de Ambachtsschool, dat
was in September 1939. Daarna brak ook de oorlog uit. De afstand van huis naar
die school was zo ongeveer
In aanvulling op dit verhaal wil Jan Baas nog even het volgende kwijt,
zoals hij eerder heeft beschreven was hij in dienst bij een Internationaal
Transport bedrijf, dat bedrijf had in het begin van de oorlog al een Diamond T
truck gekocht bij Beers, en na de oorlog gebeurde dat nog vijf keer, toen Beers
ook de dealer van de Scania Vabis werd leverde zij ook een serie van dit merk,
later werd het merk veranderd in Scania, dit bedrijf was dus het zelfde bedrijf
waar Ton zojuist over heeft geschreven, en nu wil het geval dat Jan Baas daar
ook vele dagen heeft doorgebracht om de aangekochte nieuwe trucks gereed te
maken, en aan te passen voor het Transportbedrijf waar hij werkte, daarna
bracht hij de chassis naar carrosserie bedrijven voor de opbouw, maar dit alles
gebeurde natuurlijk nadat Ton daar niet meer in dienst was.
In die oorlogsjaren hadden de Nederlandse militairen veel indruk op Ton
gemaakt, ook zijn ooms werden als buitengewoon dienstplichtigen opgeroepen om
het land te verdedigen, zij moesten nabij de Moerdijk in stelling gaan. Na de
bevrijding kregen wij te maken met onze bevrijders, daar had Ton veel aandacht
voor, ze werden ook met veel gejuich binnen gehaald.
Ton schrijft verder: In Augustus 1945 ben ik van werkgever gaan veranderen
en kwam bij de firma Blansjaar, die later ook de eerste Nederlandse D.A.F.
dealer werd. Mijn loon was toen f.27.50 per week, het waren 6 werkdagen, tegen
de tijd dat ik werd opgeroepen voor de militaire dienstplicht was mijn loon
f.32,50. Er werden in dat bedrijf alle merken gerepareerd, zowel luxe als
vrachtwagens. Ongeveer in September 1945 kreeg ik kennis aan mijn meisje, dat
later mijn echtgenote werd. Ik was op dansles en na vele dansmiddagen kreeg ik
veel aandacht van haar, zij was altijd vergezeld van haar zus en van enkele
vriendinnen. Op de vervolg cursus in December 1945 kreeg de vriendschap die wij
hadden gekregen meer betekenis en heb haar toen voor het eerst alleen thuis
gebracht, die avond zal ik nooit meer vergeten.
Ik had nl.. op die avond mijn lesgeld betaald en dat was mijn hele rijkdom
zodat ik zogezegd blut was. Ik was dat vergeten en toen ik terug naar huis ging
en bij de tramhalte kwam ontdekte ik dat, zodat ik geen tramkaartje kon kopen
en in de nachtelijke uren een wandeling van een uur moest maken. Maar Antoon
was verliefd, en wat was hij nog een groentje !
Tijdens die verkering heb ik haar nog dikwijls naar huis gebracht met de
tram, maar had toen wel altijd geld op zak.
En zo werd het 7 November 1946, er was een oproep gekomen met een
treinkaartje om met de eerste reisgelegenheid na 07.00 uur naar Arnhem te gaan
en me daar te melden in de Menno van Coehoorn kazerne. Rond half elf ging ik
langs de administratie en daar werd mij verteld waar ik bij was ingedeeld. Je
kwam op een kamer waar je je eigen spullen kon opbergen, er werd je een uniform
verstrekt met schoenen enz. Je moest nog een medische keuring ondergaan, en er
werden bepaalde orders gegeven, zo dat we voorlopig geconsigneerd waren, en dus
binnen de kazerne moesten blijven. Zo verstreken de eerste weken, het was
exerceren, uitleg over de grondbeginselen van de krijgstucht, en niet te
vergeten marsoefeningen. In het tweede week end met een vrij vervoer op zak na
12.oo uur in groepsverband, met gesloten boord, naar het N.S. station, wat een
gedril en geschreeuw.
Na 6 weken kwam de overplaatsing naar Utrecht waar we in de Kromhoutkazerne
een cursus volgde voor automonteur, echter de opvang was in Fort de Bilt. dat
was een oud Fort dat voor de oorlog had gediend voor de Cavalerie , beneden de
paarden en boven de hooizolder
Na de bevrijding had het gediend als opvang van de N.S.B ers, en er was nog
de prikkeldraad afzetting te zien. Er was geen electriciteit, en ik kreeg op de
hooizolder, met nog een man of vijftig, een plaatsje in een stapelbed
aangewezen. In het midden stond een grote potkachel, deze was roodgloeiend en het
enigste lichtpuntje. We kregen van de fourier een strozak die wij zelf moesten
vullen. Nadat dit alles was gebeurd heb ik een praatje gemaakt met een Sergeant
die buiten gewoon dienstplichtig was en afgesproken dat ik naar huis zou gaan
en mij de volgende ochtend weer zou melden vóór tien uur, de prijs van de rit
naar den Haag was voor half geld f.1.=
Dit heeft zich enige dagen voor gedaan, daarna begon de Kerstvakantie en begon
de dienst pas weer in Januari 1947, er volgde een zware winter, het vroor s’ nachts
17 graden, en alle waterleidingen waren bevroren. We moesten vanaf dat Fort
lopende naar de Kromhout kazerne, ongewassen en dik onder de sneeuw, en daar
kregen wij ons eten. Het was een waardeloze organisatie en we werden daarna op
een zaal geplaatst waar je je kuchie kreeg aangereikt met de thee in je messing
(drinken en etensbakje) Je moest lopend over het midden van de tafel een
plaatsje zoeken om in de kou van je ontbijt genieten.
Deze opleiding heeft ongeveer 6 weken geduurd en na terug komst in Arnhem
werden wij in het nieuwe gedeelte van de Menno van Coehoorn kazerne geplaatst,
daar kregen wij andere lessen zoals in het Maleis en wapen kunde, ik werd toen
ook bevorderd tot soldaat eerste klas.
Er volgde toen een periode met vele inentingen, ik werd twee weken voor het
inscheping verlof ook nog bevorderd tot korporaal waar ik financieel beter van
werd, en toen kwam de dag dat wij naar het goederen station in Arnhem gingen en
de treinreis gingen maken naar Amsterdam. Daar werden wij ingescheept op het M.
S. Tabinta, daarover verteld Ton Weterings later meer
In die tijd was dat het gesprek van de dag en de kranten stonden er vol
van. Zo ook de tekst: Er
waren er die Niet gingen !
In alle aandacht die in de zomer van 1947 is geschonken aan de politionele
actie, is een aspect buiten beeld gebleven:
Het verzet van dienstplichtigen en burgers tegen deze actie. Vele
dienstplichtigen wilden niet gaan. Zo’n vierduizend van hen voegden de daad bij
het woord.
Furieus was de legerleiding, toen op 17 September 1946 slechts 62 procent
van de dienstplichtigen van het eerste contingent van de Zeven December -
divisie, na het inscheping verlof terugkeerde bij zijn onderdeel. Hele
slaapzalen in kazernes in het noorden van het land bleven leeg. Een “Desertie”
van die omvang had men ins ons land nog nooit meegemaakt. De toenmalige
Luitenant - Generaal H. J. Kruls richtte zich via een radio uitzending tot het
Nederlandse volk met een ernstige waarschuwing die luidde als volgt:
De
wegblijvers hangt de hoogste straf die op “Desertie” staat boven het hoofd,
Zeven en een half jaar gevangenisstraf !
Kruls liet weten dat de dienstplichtigen die onverwijld naar hun onderdeel
zouden terugkeren die heel ernstige straf, die hun leven zou verwoesten, zouden
ontlopen, zo ook:
Begrijp
mij goed mannen, dit geldt slechts voor één keer, slechts voor die groep wier
inscheping verlof deze week eindigt.
De Generaal eindigde zijn boodschap met de woorden:
De
wrekende arm der gerechtigheid zal u zeker grijpen, is het vandaag niet dan is
het morgen.
In deze periode begon ook meteen de Militaire Politie een klopjacht, soms
ook geholpen door de plaatselijke politie. Zo gebeurde het dat toen op 22 September
het inderhaast voor troepen transport ingerichte passagiersschip de “
Boisevain” van de Koninklijke Pakketvaart Maatschappij naar Indië vertrok er 15
procent ontbrak van de dienstplichtigen soldaten.
Het gebeurde ook dat op 22 September tienduizenden Amsterdammers mee deden
aan een protestdemonstratie, de politie, waaronder agenten van de in de Duitse
tijd opgeleide Schalkhaar Brigade, trad hard op en schoot zelfs met scherp,
waarbij een demonstrant werd gedood. Er werd op de dag van 22 September, toen
er een afvaart was van een troepentransportschip, massaal gestaakt in
Amsterdam, op twee na bleven alle trams en bussen in de remises, ook andere
gemeente bedrijven volgde dit voorbeeld, zo lag ook het werk stil in de havens,
bij metaalbedrijven en op scheepswerven.
Ondanks de dreigende taal van de Minister van Overzeese Gebiedsdelen
ontbraken er bij het tweede transport van de Zeven December Divisie weer 22
procent van de dienstplichtigen.
Nog een ander verhaal dat weinigen hebben geweten was dat toen in 1947 het
m.s. Sloterdijk onderweg was naar Sumatra ergens in de Indische Oceaan een
opstandige groep van dertig a veertig dienstplichtigen de Kapitein dwongen het
roer om te gooien en terug te stomen naar Nederland, die groep is toen
overmeesterd.
Uit dit hele verhaal blijkt wel hoe velen negatief stonden tegenover het
uitzenden van dienst- plichtigen militairen, het ging in hoofdzaak ook niet
tegen de Dienstplicht, maar tegen een Koloniale Oorlog. Maar al het verzet
heeft niets geholpen, de toenmalige Minister President Beel was het eens met
het sein dat de Eerste Politionele Actie was aangebroken, dat was in de nacht
van 20 op 21 Juli 1947, Java tijd. Die actie had de toepasselijke naam:
Operatie Product, hetgeen inhield, het terugwinnen van economisch belangrijke
gebieden, waar de koffie, olie en suiker werd gewonnen.
Later is ook bekend geworden dat er van de circa vier duizend Indië
weigeraars er in de loop der jaren 2600 zijn gearresteerd, zij zijn veroordeeld
tot gevangenisstraffen die varieerden van twee maanden tot vijf jaar. Zelfs de
ouders die thuis hun zoon lieten onderduiken moesten na ontdekking bij de
rechter verschijnen. Nog veel erger is te moeten vernemen dat oud S. S. ers
gratie kregen door naar Indië te gaan, en deze figuren in Indië in ons midden
hebben gezeten zonder het te weten !
De vervolging van de Indië weigeraars is gestopt in 1958.

Inscheping, Bootreis en aankomst te
Semarang
Bij het krieken van de dag op 4 Juni 1947 marcheert het 4e Bataljon
Garderegiment Prinses Irene door de Arnhemse straten op weg naar het N. S.
Goederenstation, met twee afzonderlijke treinen wordt de reis gemaakt naar
Amsterdam, elke plaats waar voorbij wordt gereden en waar één of meer
militairen wonen die zich in de trein bevinden daar staan familieleden en
vrienden te zwaaien, zo ook aan de Javakade waar iedereen uit de trein stapt en
via de grote loods wordt geleid en waar notities worden gemaakt om zich daarna
te gaan inschepen op het m.s. Tabinta die daar aan de kade ligt afgemeerd, het
is een vrachtschip van 10.000 Brt. dat is omgebouwd tot troepen transportschip,
het bouwjaar is 1930

Het is wel even goed om stil te staan bij het hetgeen hier gaat gebeuren,
in de tijd dat we dit schrijven is het de normaalste zaak van de wereld dat er
reizen worden gemaakt naar de andere kant van de aarde, maar in 1947 beleven
deze jonge kerels het zomaar uit hun eigen omgeving te verdwijnen om een reis
te gaan maken naar het onbekende, velen van deze jongens waren voor zij in
militaire dienst gingen nog nooit buiten hun eigen woonomgeving geweest.
Een militair muziekkorps brengt marsmuziek ten gehore tot het moment van
vertrek is aangebroken, dan wordt het Wilhelmus gespeeld. Op de kade waren
verscheidene hoge Officieren aanwezig, waaronder ook de Chef Gen. Staf, de
Luitenant Generaal Kruls.
Als op 16.05 uur de trossen zijn losgegooid en het schip zich los maakt van
de kade is de lange reis begonnen, omringd door vele bootjes met familieleden
en vrienden aan boord gaat de reis over het IJ naar het Noordzeekanaal,
halverwege IJmuiden bij Buitenhuizen wordt nog een ligplaats ingenomen om daar
s’ avonds de munitie in te nemen die meegaat naar Indië. Op de wal stonden veel
uitzwaaiers, en dat gebeurde nog eens in de sluizen van IJmuiden. Daarna volgt
het schutten in de sluis van IJmuiden en daarna begint de zeereis van ruim 8600
zeemijlen, hetgeen neerkomt op ongeveer
Ton Weterings schrijft hierover het volgende:
Wij van de Staf Compagnie kregen op de Tabinta een plaats aangewezen in het
voorste ruim van het schip, en helemaal in het onderste gedeelte van dit
oorspronkelijke vrachtschip dat was omgebouwd tot troepencarrier. We sliepen in
een soort hangmatten met drie personen boven elkaar, mijn maatje Dick
Broekhuizen was mijn slapie. Veel ruimte hadden wij niet want als iemand onder
je zich omdraaide dan was dit goed te merken. Het vertrek staat mij nog goed
bij, marsmuziek, de stoomfluit en een kade vol uitzwaaiers. Zo voeren wij het
IJ van Amsterdam op, zijdelings voeren allerlei bootjes mee met aan boord
uitzwaaiers, en zo kwamen wij in de avond aan in Buitenhuizen waar in het Noord
Zeekanaal werd aangemeerd om daar nog munitie in te nemen. Daar stond het op de
wal ook vol met uitzwaaiers, en dat gebeurde daarna nog eens in de sluizen van
IJmuiden, toen de sluisdeuren weer open gingen was de weg vrij naar de Noordzee
en was de zeereis begonnen, maar van slapen kwam die eerste nacht niet veel,
deels door de bewegingen van de golfslag, de ongewone slaapplaatsen en de
emotie van de afgelopen dagen, zoals het afscheid. Van zeeziekte kreeg ik
weinig last, twee neven hadden gevaren op de Holland - Amerika lijn en hadden
mij de raad gegeven om te trachten zoveel mogelijk in de buitenlucht te
blijven, en ondanks het katterige gevoel toch goed te blijven eten, ik heb dan
ook niet hoeven overgeven. De sanitaire voorzieningen waren slecht, en bij hoge
golfslag spoelde alles over de vloer. Aangaande het eten daar viel niets op aan
te merken, dat smaakte goed. De bemanning bestond grotendeels uit Laskaren en
die kon je onmogelijk verstaan, zij hadden ook een eigen keuken en de geur die
daar vandaan kwam was prima. Dagelijks verscheen er een Scheepskrant waarmee
o.a. de temperatuur, afgelegde mijlen van die dag en meer van die gegevens
bekend werden gemaakt. Er werd in groepen gegeten in een eetzaal want het
aantal opvarende was te groot om tegelijk aan tafel te gaan.
Wij moesten ons s’ morgens op het dek verzamelen voor het ochtend appél en
dan werden ook de mededelingen gedaan wat er zoal op die dag zou worden gedaan.
Voorlopig zal er af en toe een kust te zien zijn, eerst de krijtrotsen van
Engeland, en in de Golf van Biskaje staat een flinke golfslag en dan ontstaat
voor vele de beroerde zeeziekte.
Het verdere verloop van de reis staat beschreven in het volgende verhaal
van Jan Baas over zijn persoonlijke belevenissen, maar ook anderen zullen daar
zeker op terug komen, zoals het nu volgende van Victor Strack van Schijndel,
die met Vic wordt aangesproken. Hij behoorde toen nog niet bij de Staf Comp.
maar bij de Ost. Cie, zoals reeds eerder is beschreven.
Vic heeft n.l. een dagboek bij gehouden tijdens zijn militaire leven en kan
hierdoor veel herinneringen ophalen, waarbij ook datums een grote rol spelen,
daar hebben wij dan ook dankbaar gebruik van gemaakt.
Zo laat hij weten dat de Ost. Cie. gedeeltelijk op de Tabinta is
ondergebracht in het onderste tussendek dat was gelegen in het voorschip, naar
zijn mening waren de bedden, die hij Standies noemt, niet slecht en lagen zij
met drie man boven elkaar. Hij beschrijft het vertrek als een trieste bedoening,
zo mochten er geen burgers op de kade komen om hun geliefden uit te zwaaien,
dat werd wel gedaan middels vele kleine bootjes die rondom de Tabinta
meevoeren. Hij vond de stemming aan boord niet slecht, maar er mag toch wel
vermeld worden dat daar ook anders over werd gedacht, althans dat is de mening
van Jan Baas.
Vic beschrijft dat er op volle zee een ontmoeting was met de Karel Doorman,
die aan ons een goede reis en beste wensen doorseint, zo helpt Vic ook nog in
de eetzaal omdat het eigenlijke personeel onvindbaar is, hij heeft ook tijdens
de avonduren vaak naar de sterren zitten kijken, het was verbazingwekkend hoe
helder de Poolster, Grote - en Kleine Beer aan de hemel stonden.
Aan boord van het m.s. Tabinta zal ook militaire politie zijn taak moeten
uitoefenen, zoals in de nacht patrouilleren door de ruimen waar al die
militairen liggen te slapen. Er is een detachement M. P. van de Koninklijke
Marechaussee aan boord die deze taak moet uitvoeren en zij worden bijgestaan
door de Regimentspolitie van het 4e Bataljon Prinses Irene, waarover reeds
eerder is geschreven. Deze scheepspolitie is vier dagen eerder aan boord gegaan
om het schip te leren kennen, maar ergens is er weinig gedaan om die kennis bij
te brengen, tijdens deze vier dagen was Jan Baas meer thuis dan op het m. s.
Tabinta. Hij heeft het dan nog steeds erg moeilijk met de wijze waarop hij
onder de wapenen is gekomen, en is zelfs nog naar Militairen zaken in de
Handboogstraat te Amsterdam geweest ter informatie of er nog iets bekend was geworden
aangaande zijn z.g. staat van dienst als Buitengewoon Dienstplichtig, maar men
beweerde dat er bij naspeuringen nog niets was gevonden, met een schijnheilig
gezicht werd gezegd, althans in woorden van gelijke strekking : Als inderdaad mocht blijken dat U
onrechtmatig naar Indië bent gezonden dan krijgt U onmiddellijk bericht en
zullen wij er voor zorgen dat U direkt weer naar Holland komt.
Als dan het m. s. Tabinta zijn reis over het IJ begint staat de vader van
De stank was ondraaglijk en je was opgelucht weer op het dek te staan en
frisse lucht kon inademen. Vooral in het voorste deel van het tot
troepencarrier omgebouwde vrachtschip, waar ook de toiletten waren, dreef het
vuil over de vloer.
De volgende dag krijgen we een deel van Engeland te zien, en het eiland
Wight met de witte krijtrotsen.
Wij waren gewaarschuwd voor zeeziekte, de beste remedie was de maag vol
zien te houden met droge en vetvrije kost, en daar zorgde wij wel voor als wij
in de kombuis kwamen, ik heb ook geen hinder gehad van die ziekte. Het was geen
pretje als dat je overkwam, dat gebeurde al in de Golf van Biskaje.
De reis gaat daarna langs de Spaanse en Portugese kust en als Kaap St.
Vincent voorbij wordt gevaren staat de hele meute aan dek om die mooie witte
vuurtoren te zien. Daarna komt Gibraltar in zicht, er wordt geattendeerd op de
Apenrots, en aan stuurboord blijft voortdurend de Noord Afrikaanse kust in het
zicht. Het klimaat wordt milder en ook de Middellandse zee is redelijk rustig.
Dan wordt Port Said aangedaan voor het innemen van proviand en brandstof, het
grote standbeeld van Ferdinand de Lesseps komt in het zicht, kooplui in kleine
bootjes proberen allerhande spullen aan ons te slijten, dat gebeurt via een
omhoog geworpen lijntje waaraan de koopwaar wordt bevestigd.
Ton Weterings verteld hierover nog het volgende, die kleine bootjes van de
kooplui die rondom de Tabinta lagen hadden allerlei snuisterijen bij zich, alle
gesprekken vonden plaats in de Engelse taal die slecht door ons werden
verstaan, maar als er begrepen werd om welk artikel en welke prijs het ging dan
werd er een lange lijn naar boven geworpen waarmee de transaktie zou kunnen
plaats vinden.
Grote hilariteit ontstond er als men niet tot zaken doen kwam omdat de
prijs te hoog was of het artikel toch tegen viel, en de omhoog geworpen lijn
aan de railing werd vastgebonden. Er werd ook beweerd dat er horloges zijn
gekocht waarvan achteraf bleek dat er geen uurwerk in zat.
Vic van Schijndel heeft ook zo’n verhaal over Port- Said, hij weet dat die
kooplui in hun kleine bootjes de hele nacht door zijn gegaan om van hun
koopwaar af te komen, de artikelen die eerst met veel te hoge prijzen werden
aangeboden dat waren: dadels, sugarpindah, olienoten, meloenen. tassen,
portefeuilles, schoenen, polshorloges en veel andere rommel.
Voor een langwerpige doos dadels werd eerst drie gulden gevraagd, maar dank
zij de geweldige handelsgeest van de Hollanders zakte die prijs uiteindelijk
naar vijftig cent, zo kocht Vic een geweldig grote meloen van wel
Hij kocht die meloen samen met Wim Leijten, die op de Tabinta onder hem
lag, maar toen ze amper met hun handel op het voordek waren aangeland wilde
iedereen een schijf meloen kopen voor á raison van twee dubbeltjes, zodat de
onkosten snel waren gedekt.
Om even een voorbeeld te geven wat er dagelijks aan voedsel op deze schuit
soldaat werd gemaakt komen hier de volgende cijfers:
De reis gaat daarna verder door het Suez kanaal dat vooral bij de ingang
vrij smal was, er lagen ook nog schepen die tijdens de 2e Wereldoorlog tot
zinken waren gebracht, en als langs de Bittermeren wordt gevaren zien wij
Duitse krijgsgevangenen die door Engelse militairen worden bewaakt. Omdat er in
het kanaal twee schepen elkaar niet kunnen passeren zijn er op geregelde
afstanden uitwijkplaatsen. Dan komen wij op de Rode zee en het kwik begint al
aardig te stijgen.
In het scheepsjournaal wordt vermeld dat de temperatuur 110 graden
Fahrenheit is, maar eenmaal op de Indische Oceaan wordt het weer aangenamer, er
is dan dagen lang niets anders te zien dan de Oceaan, de zon, de sterrenhemel
en zo nu en dan een passerend schip, ook wel troepentransportschepen met
lotgenoten aan boord die de andere kant opgaan, dus richting Holland. Uiteraard
zijn dat ook veel burgers die veel al in concentratiekampen hebben gezeten
tijdens de Japanse bezetting van Nederlands Indië, en weer terugkeren naar hun
Vaderland. Voor de boeg van het schip zijn vaak potvissen te zien en het lijkt
wel of zij ons de weg willen wijzen. Er is ook een dagelijkse controle op de
slaapruimte enz. door de dienstdoende Officier. Ook wordt er regelmatig appél
gehouden want het zou natuurlijk altijd mogelijk zijn dat er iemand over boord
is komen te vallen.
Op de Indische Oceaan krijgen we nog te maken met een motorstoring. Er moet
een nieuwe zuiger in de hoofdmotor worden geplaatst, door de te intensieve
vaart die er met de troepenschepen wordt uitgevoerd zou die schade zijn
ontstaan, het was erg interessant die reparatie bij te wonen Het was ook niet
een zuigertje zoals in onze automotoren wordt gebruikt maar het ding moest
worden getakeld, uiteraard kon niet iedereen even in die machinekamer gaan
kijken.
Als de motor weer in orde is wordt de zeereis vervolgt en krijgen we weer
te maken met een andere belevenis, nl.. het passeren van de Evenaar. En volgens
goed zeemansgebruik moeten de landrotten dan gedoopt worden, hetgeen met veel
ceremonieel zal plaats vinden.
In die periode raakt de zoetwatervoorraad op en moest men zich wassen met
het zoute zeewater, daarvoor werden er stukken speciale zeep verstrekt, je kon
niet zeggen opgefrist te zijn na zo’n wasbeurt.
Via de scheepskrant is iedereen al een beetje in kennis gesteld aangaande
het passeren van de Evenaar, zo zou de dag voor het doopfeest Davy Jones en
zijn piraten om 16.00 uur aan boord komen, deze Davy Jones is de vertrouweling
van Z.M. Neptunus en is
verloofd met Z. M. ’s
lieftallige dochter Atlanta, zij bevoer een wonderlijk schip, nl.. de
“Piratenvreugd en bloedfestijn” Een half uur voordat Atlanta aan boord komt
moet het hele voorschip vrij zijn van de “Stinkende landrotten”, en dat waren
wij natuurlijk. Als Davy Jones met zijn Piraten aan boord zijn gekomen worden
zij plechtig ontvangen door de gezagvoerder van het m.s. Tabinta, waar ook bij
is de eerste Officier van het troepentransport, en alle detachement -
commandanten.
De volgende dag moet dan de officiële doopplechtigheid plaats vinden.
Om het verhaal van deze plechtigheid even te onderbreken het volgende,
enkele leden van de Scheepspolitie hadden in geuren en kleuren al vernomen wat
er zich ging afspelen. Zo stonden er nabij de kombuis vele vaten van

en dat leek geen aangenaam vooruitzicht. Er is toen tijdens de nachtdienst
besloten een stel van die vaten overboord te gooien, dat viel niet eens mee
maar tot ieders verbazing stonden er tijdens de ochtenduren al weer nieuwe
gevulde vaten klaar, misschien iets minder stinkend maar toch smerig genoeg.
Om nu verder te gaan, rond 08.00 uur komt Z.M. Neptunus persoonlijk aan
boord en dan kan de plechtigheid beginnen, alle landrotten worden dan gedoopt
met een mengsel van rotte kaas, bedorven melk en eieren, havermout, stroop,
aangemaakt met zout water. Er is op het dek een groot zeil gespannen en daar
moest onder door worden gekropen, onderwijl werd daar met stokken op
losgeslagen, daarna werd iedereen met zeewater via de brandslangen weer af
gespoten.
Die avond wordt het Diploma uitgereikt aan hen die deze doping heeft
ondergaan en is men gerechtigd het rijk
van Z.M. Neptunus binnen te varen. Omdat een stel leden van de Scheepspolitie
die nacht dienst hadden gedaan, ook Jan Baas, waren zij vrij en ontkwamen aan
het grote spektakel.
Op 28 Juni 1948, na 23 dagen varen, komen we aan te Sabang, een eiland
nabij Sumatra. In de baai wordt afgemeerd en onder bepaalde voorwaarde mogen
wij aan wal en maken voor het eerst kennis met de tropen. Op dit eiland is een
krijgsgevangen kamp waar bewaking is van de Koninklijke Marechaussee, en zij sturen
enkele voertuigen om de leden van hun eigen korps, maar ook van Scheepspolitie,
op te halen voor het bezoeken van hun kamp.
Het was toen nog steeds niet bekend wat onze eindbestemming was, maar
eigenlijk waren wij een beetje op de hoogte want er werd verteld dat wij in de
omgeving van Bandung zouden komen, maar later kwam er weer een ander verhaal,
het zou Semarang worden, en dat bleek ook waar te zijn. Daar is geen haven en
moest voor anker worden gegaan op de rede.
Met landingsvaartuigen werden wij aan land gebracht, dat was geen pretje
want het was bloedheet.
Zo laat Joh. Boekestijn nog weten het een verschrikking te hebben gevonden
op de landingsboten waarvan het staal gloeiend heet was door de brandende zon,
het was wel meteen de vuurdop in de tropen.
Met muziek werden wij verwelkomt als onderdeel van de 2e Palmboom Divisie,
en er
werd ons limonade met een sinaasappel aangeboden. De Staf Compagnie gaat op A. A.
T. trucks naar de Djoernatan kazerne. Ton Weterings kan zich die rit nog goed
herinneren hetgeen hij zag van de kampongs waar langs werd gereden, hij zag de
armoede die was ontstaan door de Japanse bezetting.
Aangekomen bij de Djoernatan kazerne, waar onze kwartiermakers in een korte
periode zo veel mogelijk hadden gedaan ( want zij waren eerst naar West Java
gezonden ) zagen wij daar vele mensen gekleed in jute zakken die stonden te
bedelen voor het eten dat was overgebleven van de aanwezige militairen, en dat
werd alleen maar erger toen wij daar met velen gelegerd werden. Die mensen
waren ook volkomen vervuild en vooral de kinderen zaten vol met hoofdluis. Het
waren onmenselijke gewaarwordingen waar wij het allemaal zeer moeilijk mee
hadden.
Zoals juist beschreven, was er voor de kwartiermakers maar een korte tijd
geweest om die kazerne bruikbaar te maken, alles was schoongeveegd maar het
gebouw met één verdieping was zo goed als leeg. Er kwam al snel een handige
Chinees die misbruik maakte van onze onervarenheid in dit deel van de wereld en
zijn hulp aanbood om het vuile wasgoed te verzorgen, uiteraard tegen een
afgesproken prijs. Alles werd keurig per compagnie gesorteerd meegegeven, maar
het kwam nog vuiler en volkomen ongesorteerd terug, bovendien was er ook veel
verdwenen.
Er werd nog een “ Mobiele wasserij “ ingeschakeld maar dat had tot gevolg
dat er bij terugkomst tal van kledingstukken van een ander onderdeel aanwezig
waren, zoals van de A.A.T. en de Stoottroepen. Maar toen bleek al snel dat er
niets boven een Baboe ging, en voorzover het de Stafcompagnie betrof hield Kapitein
de Paauw daar strenge controle op. Het is ook tijdens ons hele verblijf in
Indië gebleken dat de Baboes voor de persoonlijke verzorging onmisbaar waren.
De Ost. Cie. is vanaf de haven met nieuwe Fargo trucks naar het Veda
gebouwencomplex gebracht, dat was gelegen tussen de beneden - en bovenstad van
Semarang, dat was gunstiger dan de plaats waar de rest van het Bataljon terecht
kwam, ook qua hitte en de kans om malaria op te lopen. Zo beleefde Vic het in
dat Veda gebouw te worden opgewacht door de kwartiermakers.
Er was ons gezegd dat wij daar eerst zouden acclimatiseren, want het was
toch wel een hele overgang om in het klimaat van dit werelddeel te kunnen
wennen.
Door de fourier van de Staf Cie. waren wij na aankomst al voorzien van een
“tampatje” en een klamboe, dat zou gedurende het verblijf in Indië onze
slaapplaats zijn.
Het eerste klusje dat Ton Weterings werd opgedragen was het repareren van
een kleine benzinemotor van een waterpomp, die op de binnenplaats stond. Als
noodoplossing werd tijdelijk het water met emmertjes aan een lang touw uit een
put opgehaald. Er moesten ook twee fietsen, die in delen waren aangevoerd, tot
bruikbare vervoersmiddelen worden samengesteld., het is ook iedereen van de
Staf Compagnie bekend dat één van die rijwielen in het bezit kwam van onze
Compagniescommandant B.A.M. de Paauw.
In deze eerste periode krijgen de monteurs van de M.T. de opdracht van
Luitenant v.d. Veen samen met hem en enkele chauffeurs naar een dump te gaan op
de Bodjong.
Het Bataljon was reeds voorzien van enkele Jeeps en motorrijwielen maar nog
niet van trucks, het vervoer werd nog door de A.A.T. uitgevoerd.
Op die dump stonden voertuigen die waren achtergelaten door het Engelse
leger, want zij waren hier als eerste gekomen na de capitulatie van de
Japanners. Het was een puinhoop die daar werd aangetroffen, er mankeerde vele
onderdelen aan die voertuigen en om die weer mobiel te krijgen moesten er van
andere voertuigen onderdelen worden afgehaald.
Zo kwam ons Bataljon in het bezit van de eerste bruikbare trucks, die onze
chauffeurs gingen besturen. Een deel van de A.A.T. trucks kon toen weer terug
naar hun eigen onderdeel.
Het bleek toen al gauw dat dit een leger was waar hobbyisten hun hart
konden ophalen, zoals het verbouwen van trucks dat later nog aan de orde komt.
De M.T. moest toen ook verhuizen en kwam terecht in het Slachthuis, dat
even buiten Semarang was gelegen. De M. T. veteranen kunnen ongetwijfeld vele
verhalen vertellen over hun eerste kennismaking met deze omgeving, wij zullen
beginnen met hetgeen Dick Broekhuizen weet te vertellen.
Het vertier in Semarang bestond hoofdzakelijk uit het bezoeken van de “
Tigerclub “, maar ook de bioscoop. Soms werd het barretje “Auchien Qui Fume “
bezocht dat zich op de Bodjong bevond niet ver van de haven, daar kwamen ook
veel Officieren maar ook burgers.
Op een keer was ik daar met Wim Boksem en Arie Jongenelen toen enkele
burgers die arme soldaten op een paar borreltjes trakteerden, wij hadden al een
flinke pijp bier genuttigd en gingen dus met een flink stuk in de kraag terug
naar het Slachthuis, waar wij gelegerd waren.
Tijdens die rit zaten wij op de vloer van de laadbak v/d drietonner, die
ons had opgehaald. Echter de volgende ochtend zag ik dat mijn kloffie onder de
olie vlekken zat, dat was natuurlijk gekomen van die smerige laadbak. Geen
nood, ik haalde een paar liter benzine bij de korporaal Joop v.d. Stelt, hij
beheerde het benzine en olie depot, en met die benzine waste ik de vlekken uit
mijn smerige kleren.
Tegenover mij lag Toon Baltus onder zijn klamboe te tidoeren (slapen) Toen
de baboe een mestin (etensblikje ) met hete thee op de grond bij zijn veldbed
neer zette kreeg ik trek in een sigaret, maar toen ik die wilde aansteken en de
aansteker te dicht bij het in benzine gedrenkte uniform hield kwam er een meter
hoge vlam. Toon werd met een schreeuw wakker en sprong onder zijn klamboe
vandaan, met zijn voet in de hete thee.
De brand was snel geblust, maar het enigste dat ik van mijn uniform
overhield waren de knopen. Toon moest naar de hospik omdat zijn voet verbrand
was.

Op een andere dag kreeg Moppie ( Gerard v. d. Hurk ) een rijopdracht met
bestemming het centrum van Semarang, ik ging met Gerard mee als hulpchauffeur.
Zoals iedere M.T. makker weet was Moppie een nogal lollige vent en had op die
bewuste dag een bijzonder vrolijke bui, wij zaten beiden in de cabine van de
Dodge luid te zingen. De snelheid was ongeveer
Nu we het toch over water in de benzine hebben, het volgende verhaal : Jaap Gravesteijn had in Semarang een
keer water in de benzinetank, de motor stotterde zo erg dat Jaap na het
verlaten van het Slachthuis op de weg naar Mrangen de carburateur ging nakijken
en een deel van de benzine ging aftappen, met de bedoeling van het water af te
komen. Toen Jaap de motor weer startte sloeg met een paar grote knallen de
motor weer aan, met het gevolg dat de benzine die op de weg was gekomen in de
fik vloog. Als Jaap dan weg rijdt komt er juist een Javaan voorbij die op zijn
schouder een
Die Javaan zal waarschijnlijk van die brand geschrokken zijn en kijkt
daardoor achterom met het gevolg dat die lange bamboestok de achterkant van de
truck raakte en die vent met zijn stok
Wim Uitentuis verteld het volgende:
Ik kreeg in de Semarang periode een Dodge truck toegewezen, en had nooit
achter het stuur van een Dodge gezeten en moest in het donker met verduisterde koplampen rijden, van de Djoernatan
kazerne naar het gebied waar zich de 1e Politionele aktie afspeelde, en dat was
bepaald geen pretje.
Later moest ik die Dodge afgeven en werd Piet van Asten de chauffeur op die
truck, ik kreeg toen een z.g. Sahara Ford, ook wel Woestijnrat genoemd, dat
waren trucks zonder cabine en die hadden dienst gedaan bij het Engelse leger in
Afrika, tijdens de 2e Wereldoorlog.
Ik weet nog goed dat ik tijdens een rit plotseling ergens midden in een
kampong stond, wat ik daar te zoeken had kan ik me nu niet meer herinneren,
maar het is niet iets wat jullie denken.!
Ik kon de motor niet meer aan de gang krijgen, en heb een stel kinderen met
kretek sigaretten weten om te kopen, zij hebben de wagen weer op de begaanbare
weg geduwd, en daar kreeg ik later de hulp van onze monteurs.
Ton Weterings ondervind al deze omstandigheden als een zware opgave in zijn
jonge leven, en zegt ook dat je ontzettend veel op elkaar raakt aangewezen
onder deze omstandigheden.
Hij krijgt in het slachthuis samen met zijn slapie Dick Broekhuizen een
kamertje tot hun beschikking. Hij weet nog goed dat zij samen op een
zondagavond met een paar chauffeurs uit Arnhem via de eigen busdienst naar
Semarang gingen om daar enkele bars te bezoeken, daar werden o.a.
alcoholdranken verkocht per halve liter, korporaal Cor v.d. Horst was bij Dick
en mijn persoontje komen aanschuiven en met ons drieën verorberde wij een halve
liter Whisky, waarna werd besloten nog een halve liter te nemen.
Onder het genot van mooie Indische muziek en een sigaretje werd er ook nog
een dansje gemaakt, en toen het echt gezellig begon te worden ging Cor v.d.
Horst er vandoor en heb ik met Dick de rest van die halve liter Whisky
opgemaakt. Vooral de warmte ging toen een rol spelen en flink aangeschoten
hebben wij de reis terug gemaakt naar het Slachthuis, van die rit kan ik me
eigenlijk weinig herinneren.
Bij aankomst in het Slachthuis heeft de wachtpost ons door enkele kameraden
naar de kamer laten brengen met de opdracht ons uit te kleden en in bed te
stoppen, de kamer werd toen afgesloten. Ik heb die nacht moeten overgeven
waardoor ik mijn bed de volgende dag moest schoonmaken, het was allemaal een
ontlading van hetgeen wij in korte tijd hadden beleefd.
Het is allemaal vreemd wat mij nu in
dit land is overkomen,
Want de baboe heeft de taak van mijn
moeder overgenomen.
Zij maakt mijn bed op, en ook mijn
kamer schoon,
Het is allemaal anders in deze omgeving
waar ik woon.
Ze noemen het mandiën, dat is je wassen
bij een bak koud water,
Wat ik daarbij denk als de baboe langs
komt vertel ik je later.
Maar het is wel even schrikken omdat
allemaal te ervaren,
Ik schrijf dan ook liever niet naar
huis over alle gevaren
Die er zijn om als jonge kerel dit
zomaar te moeten beleven,
Ondanks ik ook genoeg ben voorgelicht
mij daaraan over te geven
Ik bedoel de kontakten met het
vrouwelijk schoon in dit land,
Maar heb wel genoeg aan jouw foto, die
hier hangt aan de wand.
Eens hoop ik het weer te mogen beleven
in ons Vaderland,
Om dan te worden aangeraakt door jouw
lieve en zachte hand.
Jan Baas verteld over deze tijd het volgende:
Ik was helaas toen nog niet bij die M. T. en zal dus mijn verhaal vertellen
over het verloop bij die Regiment Politie. Wij kregen al gauw een motorfiets,
Jan werd een B. S. A. 500 toebedeeld en wij moesten nu deelnemen aan het linkse
verkeer dat daar overwegend uit militair transport bestond. Men had hun in
Holland de linkse verkeersregels trachten bij te brengen maar ondanks dit reed
Jan bij de eerste keer de poort van de kazerne uit en ging rechts rijden. Er
kwam hem een Indonesiër op een fiets tegemoet en hij kon hem niet meer
ontwijken en schepte de vent waardoor zijn voorwiel werd dubbel gevouwen, en
voor hij de zaak kon overzien had hij de fiets op zijn schouder gehangen en
vluchtte de nabij gelegen kampong in. Jan heeft vanaf dat moment altijd links
gehouden, voor zover dat mogelijk en nodig was. Jan raakt al snel vertrouwd met
de omgeving in de stad, en er worden hem verschillende taken opgelegd, zoals op
straat voor de kazerne patrouilleren want daar moet de bedelende bevolking
worden weg gehouden bij de openstaande ramen. Deze zijn met tralies beveiligd, en deze mensen hebben honger en
proberen wat etensresten te vergaren,
het is een trieste zaak dat die R.P. opdracht krijgt dit te verhinderen,
je moet dan soms ook dit tafereel de rug toe keren.
Er is nog een taak voor de R.P.
weggelegd, achter de Djoernatan kazerne bevind zich een kampong waar
zich veel publieke vrouwen ophouden, en bekend is dat het percentage geslachts
ziekte hoog is, er staan bij de ingangen van de kampong dan ook grote borden
met de tekst:
Verboden voor militairen. Maar omdat dit verbod genegeerd wordt moet de R.P. er op
toezien dat dit verbod wordt nageleefd, zij moeten dat doen in de namiddag en
avonduren als de militairen vrij van dienst zijn. Het is verbazingwekkend hoeveel Nederlandse
militairen toch die kampong trachten te bezoeken, mogelijk alleen maar uit pure
nieuwsgierigheid ?
Meestal tegen het eind van de dienst komt de Compagnies Commandant Kapitein
de Paauw en vraagt dan of er nog bijzonderheden zijn, en als er niets
bijzonders te melden is krijgen zij toestemming naar de kazerne terug te keren,
waarna de Paauw nog even alles gaat controleren. Zo is er nog een taak, nl. om
beurten samen met militairen van de Koninklijke Marechaussee het verkeer
regelen op het aloon aloon, dat verkeer stelde in feite weinig voor, zij
stonden dan op een verhoging en onder een afdak tegen de felle zon.
Als je achteraf alles overziet waren wij slecht toegerust op onze taak in
Indië, zoals de M.T. begon met gammele voertuigen uit een dump.
Zo waren de geweren van het merk Lee - Enfield uit de 1e Wereld oorlog, en
de Sten Gun was maar een goedkoop stukje schiettuig waar je niet altijd op kon
vertrouwen, als je zo’n apparaat mee nam op de motorfiets dan kwamen de
patronen zodanig in het magazijn te liggen dat het wapen zijn dienst weigerde
als het gebruikt moest worden, het gebeurde ook dat het magazijn er tijdens het
rijden uitviel.
Zo is het ook wel eens voorgekomen dat passagiers vanuit de laadbak van de
truck sprongen met zo’n Sten Gun in de hand en door de schok het wapen spontaan
zijn kogels afvuurde, het was dan ook veiliger het magazijn uit het wapen te
halen.
Zo was ook de kleding uitrusting voor de motorfiets niet in overeenstemming
met de tropen. De Regiment Politie kreeg nl.. na aankomst in Semarang een leren
rijbroek en bijbehorende rijlaarzen uitgereikt, waarbij een leren vest dat
dermate gevoerd was dat het meer geschikt was voor Siberië. Zo werd ons
verzocht de groene motorhelm zelf wit te schilderen. Begrijpelijk is dat wij
het leren pak nooit hebben gedragen. Er was wel een z.g. niergordel verstrekt
en die had men ook absoluut nodig op die wegen met slecht geveerde en oude
motoren.
Jan krijgt dan ook last van “Wandelende nieren” en om van deze kwaal af te
komen moest heel veel worden gedronken, zo’n
Om nog even terug te komen op onze uitrusting, in Nederland waren wij reeds
in het bezit gesteld van een helm, deze was van het type zoals ook de Engelsen
waren uitgerust, in tegenstelling tot dit model hadden de Amerikanen een ander
model dat toch wel een betere bescherming aan het hoofd gaf, en bovendien bestond deze helm uit twee
delen, d.w.z. de buitenhelm was van staal, terwijl de binnen helm van een soort
fiber was, die binnen helm was zeer praktisch voor gebruik in gebieden waar
geen gevaar aanwezig was, zoals b.v. bij een parade tijdens warm weer. Een
dergelijke helm was ook in gebruik bij de Mariniers, en dat was vooral gunstig
in de tropen.
De eerste politionele aktie is inmiddels op 22 Juli 1947 begonnen en het
Bataljon levert op vele voorposten strijd, en van acclimatiseren is weinig
terecht gekomen.
Vic schrijft hierover het volgende: Gisteren begon de politionele actie, en
vandaag was er alarm voor de Pioniers, we moesten mijnen gaan ruimen. Tot tien
uur hebben we gewacht op een sein van de KNIL - compagnie, die als dekkings -
eenheid aan ons was toegevoegd. De omgeving was grondig vernield door de T.R.I.
De huizen lagen óf plat óf waren leeggeplunderd, telefoondraden waren overal
doorgeknipt en lagen hier en daar over de weg. Op veel gebouwen waren
extremistische leuzen te zien en ook troffen we nog bedorven rijst rantsoenen
van de T. R. I. aan.
In het traject bevonden zich drie bruggen, de laatste brug bleek ondermijnd
met twee vliegtuig bommen van elk
Voorbij de derde brug was een flinke tankval verborgen. Tussen de bedrijven
door was er nu en dan een vuurwisseling tussen T.R.I. en de KNIL compagnie. Ook
op ons werd gevuurd, doch de kogels vlogen laag over. Het KNIL antwoordde met
geweer- en
De extremisten waren behoorlijk dichtbij, we hoorden herhaaldelijk Merdeka geroep. Alles verliep zonder
ongelukken, althans voor ons, later op de dag pakte een KNIL soldaat een
granaat op en was zo dom de veiligheidspen er uit te trekken, het was afgelopen
met hem. Wij hadden s’ morgens nog met hem staan praten. Ik kan me nog
herinneren dat Tom van den Berge één van de bommen naar de truck bracht, hij
moest over de derde brug, onbeschermd, naar ons toekomen. Gebukt onder de last
van
Jan weet nog goed toen hij op 26
Juli 1947 bij de poort van de kazerne stond er een truck stopte waar in de
laadbak het stoffelijk overschot lag van Luitenant Janssen Schmidt. Hij was de
eerste van ons Bataljon die sneuvelde. Het was tijdens een mortier aanval te
Plamongan gebeurd, het stoffelijk overschot is met de fouragewagen, die juist
was aangekomen, naar Semarang vervoerd.
Kort hierna kreeg de Staf Comp. opdracht hun spullen in te pakken want zij
zouden de post Mrangen overnemen. De R.P. moest voor begeleiding zorgen van de
Jeep waarin Luitenant Kolonel Harkema zat, bestuurd door Jan Derksen. Jan weet nog goed dat hij achter de Jeep reed met
zijn B. S. A. en het magazijn verloor van de Sten Gun. Hij is gestopt en terug
gereden en heeft haastig dat magazijn weer opgeraapt en heeft zich snel weer
weten aan te sluiten bij dat konvooi, je zag achter iedere boom of struik het
gevaar van de vijand, maar in feite was er nog niets aan de hand, en hier moet
je langzaam aan wennen.
Het R. P. team krijgt de beschikking over een huisje in het kamp waar de
Staf Comp. wordt ondergebracht, het huisje ligt enigszins verscholen tussen het
groen een eind van de kleine verkeersweg. De hospikken (ziekenverplegers)
krijgen het druk, want al gauw komen er grote drommen vluchtelingen die veelal
onder allerlei zweren zitten, veel zijn gehuld in een schamele jutezak en als
jonge vent wordt je daar ineens mee geconfronteerd, naakte vrouwen die hun lichaam
met zweren enz. tonen. Er staan dagelijks rijen van deze mensen te wachten die
bijna allemaal met zalf worden behandeld, waar mogelijk is geven wij hun ook
nog wat te eten.
De wegen zitten op het laatst vol met vluchtelingen die vanuit het
vijandelijke gebied komen, maar daar zitten ook personen tussen die bij de
vijand thuis horen en in hun bagage wapens meedragen, er komen dan
doorlaatposten waar onze jongens de zaak controleren.
Het kamp moet natuurlijk ook worden beveiligd en daarvoor zijn er posten
geplaatst die rondom beveiligd zijn met zakken zand, en een afdak van
golfplaten, er is ook een veldtelefoon. Deze posten worden s’ nachts door twee
personen bemand en om beurten wordt er wacht gehouden, zo overkomt het Jan Baas
tijdens de beurt samen met ene Steenbergen dat er voor hun in het terrein een
geluid hoorbaar is, zij zitten aandachtig te turen met het wapen in aanslag
maar zien alleen de vuurvliegjes (daar moest je ook aan wennen) Als er dan
opeens een harde bons wordt waargenomen springt Steenbergen overeind en gaat
hollend in de richting van het kamp, Jan zit nu alleen en neemt via de
veldtelefoon kontakt op met de dienstdoende wachtcommandant en laat weten wat
er is voorgevallen, dan wordt er een ander maatje gestuurd. Die geluiden
blijven hoorbaar maar er gebeurt die nacht niets bijzonders. Als ze bij
daglicht in het veld gaan kijken zien ze wel een paar kokosnoten liggen, maar
stel je eens voor je bent 19 jaar en zit daar in een vreemd land, je bent zo
voor de leeuwen geworpen en je moet het maar zien op te lossen.
Jaap Gravesteijn verteld:
Mranggen September 1947.
Vanmiddag kwamen en stel inlanders uit de achter ons liggende kampong ons
bivak in Mranggen binnen, een van hen was buiten bewustzijn, het was ook voor
hen een vreemde, hij had geprobeerd te rampokken (hetgeen stelen betekent )
maar was gepakt en driekwart dood geslagen, maar waar laat je zo iemand,
natuurlijk bij de Hollanders die zoeken het verder maar uit en dus zei Majoor
Hellemons: Gravesteijn neem vier man mee
en breng die vent naar het Burger ziekenhuis in Semarang, dat is zo’ n
(gebrek aan trekkracht en aarde donker) doch ook dat ging niet meer dus
naar z’n eerste versnelling, doch voor dat dit lukte reed de wagen achteruit en
was schakelen niet meer mogelijk, wat nu? Achteruit de berg af betekende binnen
een minuut verongelukken, dus het stuur om en de achterkant van de wagen tegen
de berg op zetten, goed gedacht maar de greppel van een meter diep tussen weg
en berg was niet te zien, zelfs niet toen we er in lagen, de bak was in één
keer leeg, de jongens kon je horen vloeken, de half dode Inlander zei niets, we
moesten hem zoeken, na een uurtje kwam er een wagen met Stoottroepers langs en
met vereende krachten en in z’n eerste versnelling kwamen we weer op de weg en
bij het ziekenhuis. Komt U maar binnen zei het nonnetje, de Dokter komt zo, en
de Dokter kwam ook vlug en begon onmiddellijk aan het opknappen van onze
Inlander, hij lichte hem de schedel en bleef steeds tegen hem praten, wij
stonden er omheen en keken de Inlander in z’n kop, de Dokter zei deze vent is
ook nog van Adel, dat kwam ons vreemd voor. Nadat alle kwetsuren behandeld waren
zei de Dokter hij kan hier niet blijven, ik zal jullie een briefje voor het het
Burger

Situatiekaart Midden Java
ziekenhuis meegeven, de Inlander met een geheel in, t verband zittend
hoofd, met de jongens weer achter in de laadbak, kruipend naar het Burger
ziekenhuis, het briefje bleek voldoende voor opname, en na middernacht waren
wij weer in Mranggen, geradbraakt doch heel, toen ik na een week ging
informeren naar de Inlander ( uit nieuwsgierigheid ) bleek de man reeds als
genezen te zijn ontslagen !
Als de pioniers, waar Vic toe behoort, op een ochtend bericht krijgt dat er
vóór de stad Goeboeg een brug is opgeblazen die over een grote snel stromende
kali ligt wordt er direct begonnen met het vermoeiende laden van spoorbiels en
boomstammen, dan volgt er een snelle rit van ongeveer
De wapenstilstand is nu een feit, en nu maar hopen dat het vrede blijft !
In deze periode hebben de Pioniers wel talloze bruggen gerepareerd, sommige
daarvan wel een keer of vijf, er werden ook veel bommen geruimd en opgeblazen,
volgens Jan Jansen had je twee keuzen bij het opblazen, óf je ging er een paar
honderd meter vandaan in dekking, óf je bleef er vlakbij liggen achter een
verhoging, dan vlogen de scherven over je heen. Dat was ook wel zo, maar je
voelde je toch wel een beetje zenuwachtig !
De Ost.Cie heeft op 3 September nog een rijtest, de theorie verliep
uitstekend, maar de praktijk was minder best, Vic slaagt wel, en van de tien is
er één gezakt.
Door het 4e Bataljon Prinses
Irene zijn inmiddels
o.a. de volgende plaatsen bezet: Mrangen, Goeboeg,
Demak, Kedoengdjati, Brambeng en Plomongan.
De R.P. krijgt zo nu en dan een melding waarvoor zij per motorfiets naar
een bepaalde voorpost moeten rijden, zo ook een keer naar Demak. Dat gebied is
bezet door onze 2e Compagnie en daar zou een bank zijn beroofd, als ze daar
aankomen liggen de straten vol met bankbiljetten, maar het geld blijkt te zijn
uit de Japanse bezettingstijd en dus is het waardeloos papier. Ze hebben wat
van die biljetten meegenomen als souvenir, maar vinden daar ook een Harley
Davidson 1250 c. c. met zijspan, dat voertuig was achtergelaten door de vijand,
op het zijspan staat het embleem van de Marine. De motor wil niet meer aanslaan
maar ze zien er wel brood in en nemen het geval mee op sleeptouw achter de B. S.
A., het is een hele hijs. Dit vervoermiddel zou hun goed van pas kunnen komen
en daarvoor brengen
zij het naar
de LTD. werkplaats op de Bodjong in Semarang. Men belooft het ding
rijdende te maken. Zo heeft men ook een bruikbare 3 tonner buit gemaakt en die
wordt intensief gebruikt door ons Bataljon.
Soldijen enz.
van dienstplichtigen bij uitzending naar Indië zoals beschreven is in militaire
termen op 1946.
Ten aanzien van
de soldij - genietende militairen, die worden uitgezonden voor de dienst
Nederlands - Oost Indië, blijft het bepaalde in L.O. 1946, nr.. 121 (gewijzigd
bij L.O. 1946 Nr. 244 ) van kracht, met dien verstande dat hun van en met de
dag van vertrek uit Nederland tot en met die van terugkeer in Nederland een
verhoogde soldij en een oorlogstoelage wordt toegekend.
De verhoogde soldij bedraagt:
Voor een
Ongeoefend soldaat ...........… fl. 1.08 per dag
Soldaat ...........… , 1.40
, ,
Soldaat eerste klasse ...........… , 1.75 ,
,
Korporaal ...........… , 2.10
, ,
Sergeant titulair ...........… , 2.45 ,
,
De
oorlogstoelage bedraagt fl. 0.30 per dag, degenen op wie ingevolge het bepaalde
aan het slot L.O. 1946 Nr. 121 mijn beschikking van 26 Maart 1946 Afd. A.I.
Bur. 4 Nr.. 383 van toepassing is ontvangen, instede van een oorlogs- toelage
van fl. 0.30 per dag, de oorlogstoelagen welke zijn vastgesteld bij mijn
beschikking van 3 October 1945, III afd. A. Bur. Nr.. 119, te weten:
·
voor een gehuwde Sergeant -
titulair fl. 0.75 per dag
·
voor een gehuwde Korporaal, soldaat 1e
Klasse of soldaat , fl. 0,40 per dag
·
voor een ongehuwde Sergeant - titulair,
korporaal, soldaat 1e klasse of soldaat
fl. 0.30
Boven en
behalve de verhoogde soldij en de oorlogstoelage wordt aan de vorenbedoelde militairen over de dagen,
waarop zij na hun vertrek uit Nederland en voor hun aankomst in Nederlands -
Indië in de gelegenheid worden gesteld het schip te verlaten, een “verblijfstoelage
buitenland” toegekend ten bedrage van 2 Shilling, of een daarmee overeenkomend
bedrag per dag.
Bovengenoemde
L.O. No. 121 luidt als volgt:
Ministeriële
Beschikking van 24 April 1946, afd. A. I, Bur 4, Nr.. 1 -
Regeling van de
soldijen enz. voor dienstplichtig militair personeel der Koninklijke Landmacht.
Ter kennis van
de Koninklijke Landmacht wordt gebracht dat het volgende is bepaald:
Deze regeling
is van toepassing op de militairen beneden den rang van Sergeant, alsmede de
Sergeanten - en Wachtmeesters - titulair, dienende ingevolge dan wel met
toepassing van de bepalingen der Dienst- plichtwet, met uitzondering van de
oorlog vrijwilligers en alle dienstplichtigen die vrijwillig de verplichtingen
van een gewoon dienstplichtigen op zich hebben genomen voor zover zij niet op
een daartoe strekkend verzoek aan de Minister van Oorlog met de lichting 1945
of een latere lichting in dienst zijn gesteld.
De in artikel I
bedoelde militairen genieten, behoudens het bepaalde in
artikel III,
soldij tot hierna genoemde bedragen:
Rang of stand:
Ongeoefend soldaat ................… per dag fl. 0.70
Soldaat
...........................… ,
, , 1.=
Soldaat 1e klasse .......................…
, , ,
1.25
Korporaal
...........................…
, , ,
1.50
Sergeant of Wachtmeester - titulair
, , ,
1.75
De soldij van
fl. 1.= wordt toegekend aan den soldaat, die drie maanden in opleiding is geweest,
mits hij voldoet aan de eischen van gezondheid, welke als dan aan hem worden
gesteld, zulks ter beoordeling van den commandant.
Soldaten, die
aan de strengere krijgstucht onderworpen zijn, genieten een soldij van fl. 0.40
per dag.
Wij behouden
ons voor, ten aanzien van verlof militairen, die in opleiding zijn tot
Officier, af te wijken van het bepaalde in artikel I I.
Op de in de
voorgaande artikelen bedoelde militairen zijn de bepalingen van het Reglement
van Administratie, welke betrekking hebben op de soldij - genietende
militairen, ten volle van toepassing, tenzij door mij uitdrukkelijk anders wordt
bepaald. Niet op hen van toepassing zijn mijn beschikkingen betreffende de
toekenning van toelagen voor ongehuwde kostwinnaars, kindertoelagen,
persoonlijke toelagen, toelagen voor vakbekwaamheid, gevaren toelagen,
vergoedingen wegens het zelf voorzien in huisvesting en / of schoeisel,
gezinstoelagen bij verlof, een en ander behoudens het daaromtrent bepaalde in
het Reglement van Administratie.
Mijn
beschikking van 26 Maart 1946, afd. A. I Bureau 4, Nr.. 383,
betreffende de
“ Vergoeding buitengewone omstandigheden “ is op hen
slechts van
toepassing voor zover zij op 15 Maart 1946, op grond van het bepaalde in mijn
beschikking van 24 Augustus 1945, III afd. Bur. Nr.
Deze regeling
gaat in op 1 Mei 1946
Uit voorgaande
overzicht blijkt in welk taalgebruik men in die tijd heeft getracht de
militairen te informeren, in dit geval een heel verhaal terwijl Jan Soldaat
zijn hand moest ophouden voor fl. 1.70 per dag, zoals al eerder gemeld was dat
incl. gevarentoelage !
De eerste politionele aktie loopt ten einde en de bedoeling is dat het
Bataljon wordt afgelost door 3 - 7 - R.I., en wij naar Oost Java gaan waar zich
ook de Staf van de 4e Infanterie Brigade bevind, waartoe het Bataljon behoort.
Er ligt een K. P. M. schip op de rede van Semarang , het is een
Libertyschip met de naam m. s. van der Waals, en de bedoeling is dat
wij daarmee naar Soerabaya gaan, de Kapitein is echter van mening dat er voor
ons geen plaats is aan boord want het schip zit vol, maar de legerleiding
beslist uiteindelijk toch dat wij mee moeten en wij allemaal op het dek kunnen
worden vervoerd. Er is niemand van de legerleiding die ook maar stil staat bij
een e.v. scheepsramp want voor dit Bataljon is er geen reddings materiaal aan
boord, de ramp zou niet te overzien zijn indien we het schip om welke redenen
dan ook hadden moeten verlaten op volle zee. Het is 12 September 1947, de dag
dat Jan zijn twintigste levensjaar bereikt, als het 4e Bataljon wordt
ingescheept via lichters die van de kade naar de rede varen waar het m.s. van
der Waals voor anker ligt, aan de kade ontdekt men, dat de buitgemaakte 3
tonner niet bij ons hoort en deze blijft achter, zo gaat onze Harley Davidson
met zijspan ook niet mee. Het vormt een vreemd schouwspel wat zich daar later
op het dek bevindt want vele hebben een aap of hun baboe meegenomen, en die
laatste hebben ook hun levende have meegenomen, zoals kippen en geiten. Vreemd
eigenlijk dat niemand daar een stokje voor heeft gestoken.
Er zijn natuurlijk lang niet genoeg sanitaire voorzieningen voor ons, zo
weet Ton Weterings zich te herinneren dat zij de nacht op dat schip hebben
doorgebracht in de open lucht, op het dek onder een truck.
Vic van Schijndel, zoals we hem in het vervolg maar zullen noemen, weet
zich nog goed te herinneren dat er maar mondjesmaat te drinken was terwijl wij
de hele dag in de brandende zon moesten zitten, enige bescherming was er niet,
het slapen op het vochtige ijzeren dek was ook geen pretje, zo bestonden de
maaltijden uit noodrantsoenen.
Als het Bataljon een dag later aankomt bij Soerabaya is het geen aanzicht
hoe iedereen er uitziet. Op de kade staat een welkomst comité, waaronder de
Brigade Commandant en een drumband, en wordt er een toespraak gehouden, maar
als dat 4e Bataljon Prinses Irene van boord gaat weet men niet wat ze zien, en
krijgt dit Bataljon de naam Circus Irene.
Er staan A. A. T. trucks gereed en die brengen ons naar de Kromhout
kazerne, aan de andere kant van de stad. De volgende morgen moeten wij ons
materiaal ophalen, dat in de ruimen van het schip is meegekomen, maar dan
blijkt dat door mogelijke sabotage alles door elkaar is geschoven,
waarschijnlijk ook door het slechte stouwen. Er is veel schade en van de B. S.
A. van Jan zijn de banden doorgesneden. Er komt hulp van de mobiele L. T. D.
werkplaats en zij rijden later met hun motoren, en andere voertuigen, naar de
kazerne.
In die kazerne was er een veldslag om de eigen spullen weer terug te
krijgen, alles was door elkaar geflikkerd, maar er waren ook wel voordelen want
zoals Vic weet kreeg hij voor het eerst in Indië een goed bed. Ze zijn s’
avonds nog de stad ingegaan daar was genoeg te drinken, en de schade werd daar
dan ook ingehaald, het gevolg was dat Vic achter het stuur is gaan zitten van
de truck van Kees van Rij en de hele ploeg naar de kazerne terug heeft gereden.
Kees en de anderen waren zo zat als een aap, en het was dan ook niet leuk toen
Jopie Leisner op de treeplank van de rijdende truck stond terwijl Kees uit het
portierraam hing begon over te geven.
Naast de Kromhout kazerne bevond zich een kazerne waar de Koninklijke
Marechaussee was gelegerd en daar wordt de R. P. op een avond uitgenodigd. Er
blijkt kort geleden ook een nieuwe lichting uit Holland te zijn aangekomen die
een tijd niet buiten de poort mochten komen, er zijn toen enkele over de
omheining geklommen en hebben de stad bezocht, maar ook zijn er enkele naar de
publieke vrouwen geweest en hadden daar een geslachtsziekte opgelopen, zelfs zo
erg dat er één van hun als vermist zou zijn opgegeven, tenminste dat verhaal
werd ons zo verteld. Als Jan het zich goed kan herinneren zou het om Japanse
Syfilis gaan, en zo werd steeds duidelijker vooral geen sexueel kontakt met
vrouwen in dit land aan te gaan.
Op 17 September worden de spullen weer bij elkaar gepakt en gaat de Staf
Comp., en dus ook de M. T., naar Perning en daar staan redelijke huizen waar
wij worden ondergebracht.
De monteurs krijgen de beschikking over een grote oude loods waar het
onderhoud van de voertuigen kan worden uitgevoerd. Na het middageten is er een
rustpauze en om ongeveer 15.00 uur wordt er door een stel een partijtje
volleybal gespeeld, daarna mandiën en moet men zich kleden volgens de tropen
voorschriften bij duisternis, hetgeen inhoud een lange broek en de mouwen van
het overhemd naar beneden. De Regiment Politie heeft opdracht daarop toe zien.
In de avonduren wordt er veel gekaart en brieven naar huis geschreven. Ook zijn
er gezellige uurtjes bij elkaar en wordt er vaak een borreltje geschonken, voor
zover dat voorradig is.
Er is van bamboe en hout een kerkje gebouwd in het kamp zodat daar de
zondagsdiensten worden gehouden.
Ook is er zondags gelegenheid, mits men geen dienst heeft, met de busdienst
naar Soerabaya te gaan.

Perning, voor
het vertrek naar de bioscoop,vlnr: Tol,onbekend
Weterings,
Uitentuis, Broekhuizen en Boksem
Ton Weterings maakt, zoals vele anderen, gebruik om tijdens zo’n bezoek aan
Soerabaya op de pasar een souveniertje voor zijn meisje te kopen, dat meisje
Riny zou later zijn echtgenoot worden.
De Regimentspolitie krijgt een deel van een villa en zij krijgen er een
nieuwe taak bij, nl. het weg brengen van berichten per motorfiets naar
voorposten, het Bataljon heeft twee motorordonnansen maar die kunnen het werk
niet aan daarom gaan zij hun tijdelijk helpen. Op zich zelf is het geen
onaardig werk om per motorfiets door de mooie natuur te rijden. Was het niet zo
dat dit gebied nauwelijks onder controle was, en men zelfs beschoten werd. Jan
hoort een keer de kogels over zijn helm fluiten als hij op de terugweg is van
Randegan Koelon waar een bericht moest worden gebracht, en toen hij terug was
in het kamp is dit meteen gemeld en
vond men een
oplossing door de
volgende keer een
Sniper (scherpschutter) als duopassagier mee te laten gaan. Dat stelde
natuurlijk niets voor want wat moet iemand met een geweer achter op een
hotsende motor beginnen?
Vic gaat op een ochtend met de makkers van de Ost. Cie. naar Modjokerto om
met hun elftal te gaan voetballen, de tegenpartij is de 2e Cie., die laatste
wint ook met 6-0. Op de terugweg wordt er Chinese whisky gekocht en s’ avonds
tegen 6 uur zijn er al verscheidene manschappen die een stuk in hun kraag
hebben, maar om 7 uur is de officiële opening van de pas gereed gekomen
kantine, zij waren zo luidruchtig dat ze er tegen 8 uur al werden uitgesmeten.
Natuurlijk waren er veel protesten en moest de Luit. er bij blijven om te
voorkomen dat de geweren gingen spreken, de Luit is ook anderhalf uur blijven
wachten tot het stel in slaap was gevallen.
De volgende ochtend informeert de kapitein tijdens de vlaggenparade hoeveel
drank er was ingeslagen, dat waren 10 flessen, voor een peloton van 17 man. De
Sergeant Hoek kreeg voor iedere fles drank één dag streng arrest van de
Overste. s, Middags is er een extra appél en dan laat de Kapitein weten dat het
allemaal niet zo erg was geweest en dat hij zelf ook wel een borrel lustte.
Twee dagen later houdt de Overste een toespraak in de kantine en liet weten
het te betreuren dat hij zich had laten meeslepen door zijn boosheid en trok
alle door hem genomen maatregelen in. Die avond is er een gezellige avond, mede
i.v.m. het vertrek van Pionier Kemperman, die wegens het sneuvelen van zijn
broer naar Holland terug mag. De Kapitein en de Luit. kwamen ook een half
uurtje op bezoek en namen een fles goede jenever mee, en dat was wel erg
sportief.
Er gebeurt ook iets vreemds in het kamp Perning, er stonden enkele
spoorwagons en daar zou iets uit verdwenen zijn, later werd bekend dat het om
medische spullen ging. Jan wordt daarvoor op het matje geroepen en men wist te
vertellen dat hij meer van die verdwijning af wist, aangenomen werd dat vriend
Jonkers daar meer vanaf wist i.v.m. een bevordering.
Trouwens de belofte die was gedaan dat de drie R.P. ers de rang van
korporaal zouden krijgen was nog nooit uitgevoerd, dat zal allemaal wel te
maken hebben gehad met de lege Schatkist van de Staat der Nederlanden. In ieder
geval moet Jan een maand voor straf naar een bewakingspost aan de Melirip
sluizen, hij is daar behoorlijk nijdig over maar er is niets tegen in te
brengen. Jan beleeft daar wel een leuke tijd met de Infanteristen die daar
waren gelegerd, en er was daar een instelling van het Burgerbestuur die zorgde
voor het onderhoud aan de sluizen en zij hadden de beschikking over een 3 ton’s
ex-leger truck en met dit voertuig heeft Jan menig ritje gemaakt en kon zo weer
zijn autorij ervaring opdoen.
Na die maand komt hij terug in Perning en was de Regiment Politie spuugzat
en is naar de 1e Luitenant v. d. Veen gestapt, hij was immers M. T. O. , en
heeft hem gevraagd of er geen behoefte was aan een automonteur, zijn antwoord
was: Heb je verstand van motorfietsen ?
Natuurlijk had Jan wel enig inzicht gekregen aangaande motorfietsen in
militaire dienst, maar echt verstand ? In ieder geval luidde zijn antwoord:
“Dat zal wel lukken “ De M. T. O. zou kontakt op nemen met de Bataljons Commandant,
en Jan moest al vast gaan praten met zijn baas , de Wachtmeester Joop van
Ewijk, die toonde geen enkel bezwaar. Toen de Bataljons Commandant dan ook zijn
goedkeuring gaf was de keuze gemaakt en begon Jan de volgende dag als
motorrijwiel monteur bij de M. T. en kreeg een apart hoekje in de werkplaats.
Er waren verschillende merken, B. S. A. - Matchless - Triumph - Ariel - en
Norton. In de direkte omgeving van het kamp was het nog wel veilig zodat er
vaak een proefrit kon worden gemaakt, en dat gebeurde misschien wel meer dan
nodig was. In ieder geval kreeg Jan het goed naar zijn zin bij het M.T.
gezelschap. Buiten van Ewijk waren er nu nog twee leden van de R. P., Dirk
Roggeband en die Jonker, en omdat Dirk het ook niet meer zag zitten alleen met die
Jonker over te blijven heeft hij verzocht terug te worden geplaatst naar zijn
oude maatjes bij de 4e Compagnie en dat is hem ook gelukt. Hoe het verder met
die Jonker is gegaan weet men niet, bekend is dat van Ewijk na zijn
dienstverband terug gekeerd is naar Nederland, en het vermoeden bestaat dat
Jonker is overgeplaatst naar de Marechaussee in Soerabaya. Jan heeft later in
de jaren 1955 Joop van Ewijk nog eens opgezocht in Tilburg, hij was toen nog
steeds in militaire dienst.
Vic van Schijndel gaat van 9 tot 29 November naar het eiland Madoera waar
hij de bezetting meemaakt, er moest veel worden gelopen waardoor het een
vermoeiende actie was, maar bleef beperkt tot een aantal schermutselingen. De
natuur op Madoera was fascinerend zo leek de omgeving van het dorp Amboenten,
met zijn palmenstranden, wel op de plaatjes zoals je tegenwoordig in de
reisfolders ziet.
In deze periode staat het volgende in de dagbladen:
De regering heeft in een verklaring
o.m. het volgende bekend gemaakt:
De ontwikkelingen van de toestand in
Indonesië in de afgelopen maanden is niet dusdanig gunstig geweest als de
regering tevoren had gehoopt. Hierdoor is de aflossing der troepen, welke
volgens de aanvankelijke plannen en de daarop gegronde toezeggingen reeds voor
de demobilisatie in aanmerking kwamen, vertraagd.
Deze berichten verhogen natuurlijk niet de juiste stemming !
Het overkomt Ton Weterings in Perning dat hij op het matje wordt geroepen
bij de Comp. Commandant Kapt. de Paauw. Na binnenkomst op zijn bureau salueert Ton
netjes en meldt zich zoals het is geleerd, dan wordt hem verteld dat er een
klacht is gekomen door Sergeant Timmermans, deze had s’ morgens met luid gebel
iedereen te kennen gegeven dat het tijd was om op te staan, Ton had tot twee
keer toe dat bevel genegeerd want hij had eigenlijk nog een kater van de vorige
avond, en had uit een geintje gezegd: Vent sodemieter op.
In zijn positie als Wachtcommandant vond Sergeant Timmermans deze
handelwijze niet te moeten tolereren en had het ook zo overgebracht aan Kapt.
de Paauw. Ton was het hele voorval eigenlijk al lang vergeten, maar werd nu met
zijn neus op de feiten gedrukt en kreeg twee maanden verzwaard. Dat hield in
overdag gewoon dienst doen, maar na de diensttijd en ook in de weekenden binnen
blijven. En hier komt weer de geweldige goede natuur van onze Luit. naar voren
want hij gaf Ton opdracht busdiensten uit te voeren in de tijd dat hij
eigenlijk voor straf moest binnen blijven. Voor deze man had je dan ook de
grootste waardering, want hij begreep dat er door ons tijdens de dienst flink
werd aangepakt, en een enkele uitspatting getolereerd moest worden.
Wat die motorfietsen
betreft, de monteurs hadden eigenlijk weinig zin aan die dingen te
sleutelen, zo stonden er op een zeker moment enkele motorfietsen in de garage
waarvan één met een lekke band, Ton Weterings en Dick Broekhuizen hebben die
band toen gerepareerd en zijn toen ieder op een motorfiets een ritje gaan
maken, en natuurlijk moest er even met hoge snelheid worden gereden maar dan
gebeurt het dat van de motor waarop Ton rijdt de voorband ineens weer lek raakt
waardoor hij met zijn hoofd rakelings langs een pijler van een brug schuift.
Het loopt gelukkig goed af. Ton heeft in zijn latere leven ook nooit meer op
een motor gereden.
Wim Uitentuis schrijft hierover het volgende: In Perning was één van de bezigheden tijdens
onze vrije tijd zwemmen, maar niet alle makkers van de M. T. hielden van
zwemmen, eigenlijk konden ze niet allemaal zwemmen. Toen wij in Perning
gelegerd waren was zwemmen niet een van onze voornaamste bezigheden daar er
geen zwembad in de buurt was. Achter
ons kamp stroomde de
kali Mass richting
Soerabaya en Moppie (Gerrit v. d. Hurk ) Wim Boksem en mijn persoon
hebben een paar keer in die kali gezwommen. Op een goeie dag toen deze drie
niets te doen hadden vroegen zij aan Arie Jongenelen of hij het drietal een
kilometer of drie stroomopwaarts wilde brengen, met zijn drietonner. Dat lukte,
de kali was vrij vuil van wege de regen de laatste paar dagen, maar daar zagen
zij geen bezwaar in, en er stond ook een knappe stroming. Daar gingen zij dan
al drijvende terug naar het kamp in Perning, het ging prima tot ze onverwachts
een Leguaan zagen die vanuit de kali de wal op klauterde. Zij schrokken wel
maar waren er toch gauw voorbij gedreven, dat beest was ongeveer een meter lang
en leek wel op een krokedil. De gedachten waren, als er één is zullen er wel
meer zijn, zo gingen zij de spoorbrug onderdoor tot Wim plotseling door een
draaikolk naar beneden werd gezogen, hij raakte echter niet in paniek maar liet
zich rustig mee naar de bodem van de kalie zuigen, toen kwam hij met een grote
zwemslag uit die kolk, gelukkig was het maar een paar meter diep en kwam hij
gauw weer boven. Daarna werd er nooit
meer door hun in die kalie gezwommen.
Later tijdens ons verblijf in Modjokerto mocht de M. T. gebruik maken van
het water reservoir bij de Spiritus fabriek, net even buiten de stad gelegen.
Onnodig om te vermelden is dat we daar zeker drie a vier keer per week gingen
zwemmen. Op een goede dag werd Moppie er op betrapt toen hij in onze tamelijke
grote “Mandi bak “ aan het zwemmen was, deze gewoonte werd hem zeer kwalijk
genomen en dat is hem in niet al te leuke termen verteld.
Soms mochten enkele leden van de M. T. met verlof naar Patjet dat in de
bergen was gelegen. Er was een klein zwembad ter beschikking, de temperatuur
van dat water was nogal koel, maar daar waren wij gauw aan gewend. Hier leerde
Dick Broekhuizen zwemmen van Wim Uitentuis. Op een goede dag was Dick weer eens
aan het oefenen toen Wim aan Dick het voorstel deed naar de overkant van het
bad te zwemmen, zo gezegd zo gedaan, maar toen Dick ¾ van de afstand had
afgelegd schreeuwde Dick “ Wim ik kan niet verder “ Hij moest nog een paar
meter zwemmen en Wim zei “ Je bent er bijna Dick, hou nog even vol “ En Dick
heeft het gehaald maar zei later “Als je mij verteld had dat ik nog twee meter
moest zwemmen dan had ik het zeker opgegeven “.
Aangaande de zwemkunst weet Joh. Boekestijn het volgende te vertellen:
Hij herinnert zich van Modjokerto dat degenen van de M.T. waarvan het in
het Sportfondsenbad in Amersfoort niet was gelukt de zwemles meester te worden
er makkers waren die hun dat wel even zouden bijbrengen, in een zwembadje van
twee meter diep dat was ontdekt bij een woning in de naaste omgeving. Het zou
wel lukken met een touw om het lijf gebonden, en natuurlijk liet men dat touw
wel eens een stuk vieren waardoor Joh. kopje onder ging, maar vanaf die tijd
kon hij zich redelijk drijvende houden.
Tretes was een ander vakantieoord, elke week gingen ongeveer 15 Irene
mannen daar naar toe met een week verlof. Deze keer was het Sergeant de Jager,
Luck Paardekooper en ondergetekende Wim Uitentuis, die de M.T. mochten
vertegenwoordigen. We hadden veel plezier met de berg paardjes die erg klein
waren en een lange soldaat van de tweede compagnie kon zittend op zo’n paardje
met zijn voeten de grond raken. Niettemin hadden we ontzettend veel schik met
die paardjes. Er stroomde een kleine beek langs ons bivak, en op een goede dag
besloten de drie M.T. mannen het stroompje te volgen, stroomopwaarts het bos in
en tegen de berg op. Zo hadden wij dan een paar uur geklommen maar schijnbaar
weinig vooruitgang gemaakt, het bos begon steeds dichter begroeid te worden en
leek wel wat op een rimboe en rondom ons heen waren talloze krijsende apen die
blijkbaar niet op het gezelschap van mensen gesteld waren.
Plotseling liepen wij tegen een rotswand op die kaarsrecht naar boven liep,
een prachtige waterval kwam met denderend lawaai naar beneden, tegen die
rotswand waren wij niet opgewassen, dus toen zijn we maar terug naar beneden
gegaan. De apen volgden steeds maar waren wel kalmer geworden en het gekrijs
was bijna gestopt. Hoewel het klimaat in Tretes vrij koel is vergeleken bij
Soerabaya, waren de M.T. mannen toch erg warm en bezweet. Tretes had een
bijzonder mooi zwembad, met de naam Oase, waar wij na de expeditie in de bergen
een uurtje door hebben gebracht, het water was 18 graden maar daar zagen wij
helemaal niet tegenop. Het zwembad in Malang was absoluut het beste zwembad van
allemaal, daar was een springplank die ik elke keer gebruikte als er
gelegenheid tot zwemmen was. Er was ook een bar waar wij een biertje


Overzichtskaart Oost Java

B.bendo
baboes
dronken, maar bier en zwemmen gaan niet samen, dat had ik in de gaten toen
ik besloot een salto van de hoge duiktoren te ondernemen.
Maar het verhaal gaat eerst nog verder in Perning, het is 11 December 1947
als er een noodtoestand uitbreekt, men zegt dat t.g.v. de vele regenval er een
dijk van de kali Namojo nabij Kloeloet is doorgebroken, maar boze tongen
vertellen dat de dijk is doorgestoken. In ieder geval staat op deze 11 December
het water s’ morgens zo hoog in het kamp dat iedereen in rep en roer is, er
wordt later beweerd dat het water op sommige plaatsen
Als Jan die ochtend wakker wordt ziet hij zijn koffer naast zijn bed
drijven, hij heeft nl. een kamertje achter het gebouw dat op niveau van het
maaiveld ligt, hij kleedt zich snel aan en gaat via het hoger gedeelte van de
villa naar de voorgalerij, en als hij de vier a vijf treden die onder water
staan wil afstappen blijkt dat door de stroming van het water de grond is weg
gespoeld en hij in een diepe geul terecht komt. Hij wordt door de stroming mee
gesleurd, komt met zijn been vast te zitten in een rol prikkeldraad maar weet
zich te redden, ondanks niet de zwemkunst meester te zijn, maar wel met een
hevig bloedend been komt hij op een veilige plek, op dat moment was er ook geen
hulp in de buurt.
Er worden A. A. T. trucks gestuurd en zij vervoeren de bewoners van het
kamp naar de andere kant van de kali, dat is de plaats Balongbendo, dat ligt
aan de verkeersweg Soerabaya, Krian, Modjokerto. Het zijn de restanten van een
oude - en vernielde - suikerfabriek waar zij worden ondergebracht. Zo komen
Simon Beuving, Arie Jongenelen, Kees van Vliet, Jan Derksen en Jan Baas terecht
in een garage welke bij het hoofdgebouw hoorde.
In een deel van die oude fabriek kwam de M. T. werkplaats en ook een hoekje
voor de motor fietsen, en zo gingen de activiteiten weer zijn dagelijkse gang.
De trucks voerden hun transporten uit naar Soerabaya en voorposten, de monteurs
doen pogingen het oude materiaal aan de praat te houden en onze M. T. O. met
zijn direkte medewerkers moet dit alles in goede banen proberen te leiden. Zo
was er geen compressor om de autobanden op te pompen, het gebeurde met een
handpomp waarmee velen een beurt kregen een bepaald aantal slagen uit te
voeren. Er is al eens geschreven dat in dit leger de hobbyist zijn hart kon
ophalen, welnu Jan knutselt nu een compressor in elkaar door een motorblok van
een Harley door een oude benzinemotor aan te drijven, en door een ventiel in
het bougiegat te draaien, dat ventiel behoorde bij de uitrusting van een truck
om het mogelijk te maken via de motor de banden op spanning te brengen. De
compressor werkt niet optimaal maar het is toch beter dan handwerk in dit warme
land.
Dick Broekhuizen en Ton Weterings krijgen een keer de opdracht met de
servicewagen, een ¾ tonner, de fourage naar een voorpost te brengen. Daar
aangekomen ligt er een brug over de kali, die brug is van bamboe gemaakt. Aan
de dienstdoende fourier wordt gevraagd of die brug sterk genoeg is om er met
onze ¾ tonner over te rijden, waarop het antwoord is: Er zijn hier meerdere
voertuigen over gereden en dat ging altijd goed. Maar toen deze keer die ¾
tonner er over ging was het mis, één van de kokers waarmee de brug zijn
draagkracht had draaide weg met het gevolg dat de truck omgekeerd in de smalle
kali kwam te liggen.
Iedereen was enorm geschrokken maar gelukkig brachten zij het er goed van
af. Na ongeveer vier uur wachten kwam er een Break Down (kraanwagen ) die de ¾
tonner uit de kalie takelde en in de takels naar de L.T.D. werkplaats in
Soerabaya bracht, daar werd er een andere cabine op geplaatst.
Ton Weterings krijgt in Balongbendo last van de bekende Malaria waarbij
hoge koorts optreed, hij moet gedurende een dag of vijf a zes een pillenkuur
volgen waarbij veel moet worden gedronken, de hospikken letten er dan ook op
dat die kuur stipt wordt uitgevoerd.
Later krijgt hij ook nog een flinke aanval van dysenterie hetgeen erg
besmettelijk was, daarvoor moest een streng dieet worden gevolgd met het
slikken van Norit tabletten, en of het niet genoeg is overkomt het hem later
ook nog dat hij verstopte talg kliertjes krijgt in zijn gezicht, die eruit
worden gesneden en de wond wordt gehecht.
De motor ordonnansen hebben het ook weer te druk zodat Jan moet bijspringen
door af en toe een bericht naar Modjokerto, en omliggende posten, te brengen,
maar hij is inmiddels al aardig ingeburgerd bij de M. T., in het bijzonder
begon er een vriendschap met Arie Jongenelen en Jan Derksen ( een o v w.- er
die toen nog Pim werd genoemd ) Ook komt het eerste kontakt met Simon Beuving
en dat zal ver strekkende gevolgen hebben voor later !
Het wordt al gauw bekend dat Jan een burger rijbewijs heeft en zich ook
aangetrokken voelt tot de chauffeurs, het vermoeden bestaat dat onze M.T.O. ook
wel interesse had in de rijvaardigheid van eerst genoemde en daarom Pim Derksen
opdracht gaf hem een dagje mee te nemen voor een rit naar Soerabaya, daar moest
voor de kwartiermeester proviand worden gehaald. Pim reed op een Ford 3 tonner
van het type Marmon Harington en onderweg mocht Jan het stuur overnemen, dat
waren de eerste van de vele kilometers die de nieuwe M. T. chauffeur maakte, en
vanaf die dag stond het voor onze M. T. O. vast dat Jan Baas een goede
aanvulling was waardoor er zo nu en dan een truck van een vermoeide of zieke
chauffeur kon worden overgenomen. Pim daar tegenover was erg geïnteresseerd in
de B. S. A. en mocht daar mee van Jan kleine ritjes maken. Zo werd om beurten
een truck over genomen van Arie Jongenelen, Simon Beuving en moest ook wel eens
Dominee Oomkes in zijn Jeep worden gereden zoals op een Zondag als hij op een
voorpost een dienst ging houden. Maar natuurlijk gingen ook de reparaties door
aan de motorfietsen.
Er is met het thuisfront inmiddels door vrijwel iedereen een regelmatige
correspondentie op gang gekomen, zo ook bij Jan die regelmatig post krijgt van
ouders, broer, werkgever en collega’s. Er was ook nog correspondentie met een
of andere vriendin maar dat stelde weinig voor, en als er s’ avonds enkele
makkers aan de grote tafel zitten te schrijven ziet Jan Baas dat Simon Beuving
een brief aan iemand zit te schrijven waar een fotoafbeelding bij ligt. Het
blijkt een foto te zijn van zijn nichtje Sientje Oosting die in Stadskanaal
woont, Simon vertelt dat hij eigenlijk teveel correspondentie heeft en vraagt
of Jan met zijn nichtje wil gaan schrijven, en
als Jan daarmee
instemt krijgt hij
het adres en op
20 December 1947 wordt
de eerste brief
aan haar gestuurd, met de woorden Ik ben het slapie van Simon en ik heb wel interesse om met jou een
briefwisseling te gaan onderhouden,
Zij antwoordt op 2 Januari 1948 en haar antwoord is erg positief, zo laat
zij o.a.. weten de leeftijd van 17 jaar te hebben en samen met haar broer bij
haar ouders te wonen in de Spoorstraat te Stadskanaal, ze eindigt met: Tot schrijfs , je vriendin Sientje.
Dit zou de aanloop zijn tot een frequente briefwisseling, en later nog veel
meer!
De Kerstdagen worden ook doorgebracht in Balongbendo en men heeft beslag
weten te leggen op een grote bus pruimen op sap, enkele flessen Tripel Sec,
Jenever en nog een ander soort alcohol waarvan de naam onbekend is, dat spul
wordt bij elkaar gevoegd en na goed door elkaar te zijn geroerd blijft het een
poosje staan tot aan de Kerstdagen en dan wordt er een stevige borrel
geschonken, eigenlijk een Bowl, voor sommige net iets te pittig maar er
ontstaat wel een leuke stemming en dat is zo nu en dan wel eens goed in dit
vreemde land, waar ook zoveel gebeurt want inmiddels zijn er van het Bataljon 5
personen gesneuveld of door een ongeluk om het leven gekomen, waaronder ook het
vroegere slapie van Jan in de Saksen Weimarkazerne, Sjors Lucas.
Na de Kerst komen wij in het jaar 1948, wat zal ons dit jaar weer brengen ?
Er worden regelmatig transporten uitgevoerd, ook worden verlofgangers
opgehaald van de voorposten, zij mogen een dagje naar Soerabaya waar zij bij de
Prinses Marijke Club worden afgezet en laat in de middag weer opgehaald om
terug te worden gebracht in de donkere avonduren. Wat die Simon Beuving
aangaat, er was eigenlijk niemand in het hele Bataljon die hem niet kende,
Simon had in feite een hart van goud maar als je ruzie met hem kreeg kon je
beter een straatje omgaan. Hij reed in deze periode met een Fargo truck, het
was eigenlijk geen rijden maar laag vliegen want als het even kon trapte hij
het gaspedaal door de vloer. We hebben vaak bij de ingang van het kamp, aan de
verkeersweg, staan luisteren naar een brommend aanzwellend geluid dat leek op
een vliegtuig tot dat de koplampen van de Fargo in het zicht kwamen en Simon
zijn laatste stukje naar het kamp nog even iets sneller probeerde te gaan. Bij
die inrit van het kamp ( een oude suikerfabriek ) hadden onze voorgangers de
Mariniers twee vaten met grind van ieder
Wat de ritten met verlofgangers, de zg. busdiensten, betrof daar is ook
weer een verhaal over te vertellen, de jongens van de voorposten die een dagje
naar Soerabaya gingen hadden hun geld opgespaard want op die posten was er
weinig uit te geven zodat zij vaak zo gul waren de chauffeurs een rondje te
geven, daarentegen waren die chauffeurs vaak platzak want het kleine beetje
soldij dat werd betaald was lang niet genoeg voor het betalen van al die
consumpties bij deze stadsritten. Het soldij voor een zg. geoefend soldaat bij
uitzending naar Indië bedroeg nl. fl. 1.40 per dag, de oorlogs toelage was fl.
0.30 per dag, zodat een optel sommetje laat zien dat een chauffeur met de rang
van soldaat fl. 1.70 per dag kreeg, en daar kon men lang niet mee rondkomen bij
die ritten naar Soerabaya.
Als 2 - 5 R. I. , vanuit Modjokerto in April 1948 terug naar Holland gaat,
neemt een deel van het 4e Bataljon Prinses Irene die plaats over, en zij komen
dan weer in de bewoonde wereld. Er is een militair tehuis met de naam Apendans
welke grotendeels onder beheer staat van Pater Baeten, ook daar schiet men
tekort aan financiën maar Simon Beuving weet altijd wel iets te versieren om
bepaalde benodigde artikelen te verzorgen. Jan weet ook nog dat hij in de
Apendans dikwijls met volle aandacht heeft zitten luisteren naar het pianospel
van Wim Ouwehand. Er is ook een Bioscoop en het leven wordt een stuk
aangenamer. De M. T. heeft de beschikking gekregen over een mooie villa en aan
de andere kant van de straat bevind zich de werkplaats / garage anex
parkeerplaats.
De manschappen worden verdeeld over verschillende kamers, een deel komt
in de
grote voorkamer, de twee
onder - officieren de Jager
en Timmermans komen in een kamer dat links van het gebouw ligt, en in de
grote achterkamer krijgen Piet van Asten, Jan Baas, Simon Beuving, Pim Derksen,
Gerrit v. d. Hurk ( Moppie ) en Arie Jongenelen een plaatsje voor hun tampatje.
De monteurs krijgen weer genoeg werk om alles draaiende te houden, het zijn
ook vaak geïmproviseerde reparaties, veel storingen aan de verlichting, benzine
toevoer en ontsteking.
Een stuk gereedschap om b.v. een motor op te takelen was er niet, met
touwen en blokken hout werd dat opgelost.
Vic van Schijndel, die thuis hoorde bij de Pioniers van de Ondersteunings
compagnie, wordt in deze periode ter beschikking gesteld van de M. T. en krijgt
een voorlopige taak bij de administratie, waar hij met Ab Abbink en Johan de
Goeyen het bureau werk mag doen. Zoals hij laat weten is het erg interessant
werk, zoals het bijwerken van de voorraad-administratie. Zo zijn er kaarten
waarop de fietsen vermeld staan met de tekst:
In voorraad zijn 4 fietsen, uitgegeven 6 fietsen, rest-
voorraad: minus 2 fietsen.
Het zal duidelijk zijn dat voor dit soort werk een zeer speciale motivatie
nodig is, die Vic echter niet tot de zijne kon rekenen.
Hij had tussendoor gelukkig nog wat afwisseling, zoals s’ morgens in alle
vroegte met een truck de baboes ophalen in Balong-Bendo, zo blijft hij
voorlopig ook nog formeel bij de Pioniers, maar komt later definitief bij het
M. T. peloton
Er zijn inmiddels ook twee nieuwe motorfietsen bijgekomen, t. w. Harley
Davidson, s 750 cc. Ze zijn bedoeld voor de ordonnansen Frieling en Karrenbelt,
en het onderhoud geschiedt door Jan. Het is een feest om met een dergelijk
voertuig te rijden, de bagagetassen moeten wel met zand zijn gevuld, anders
stuitert men van de motor af op de slechte wegen.
Over deze tijd verteld Dick Broekhuizen het volgende:
Met enige regelmaat mochten wij mee naar Soerabaya, ik stond dan b. v.
samen met Tommy Tol, Wim Uitentuis en Ton Weterings achterop de laadbak van een
truck, wij gingen dan meestal eerst naar een bioscoop.




Dat was daar een stuk netter dan in Modjokerto want daar zat je bijna in de
open lucht en de vleermuizen vlogen langs het filmdoek, na de Bioscoop moest er
ook nog een pilsje gedronken worden, wij huurden dan een paard en wagen, dat
wagentje had één as, dus op twee wielen, en het paardje was klein van stuk. Het
was goed voor het vervoer van 2 passagiers maar wij wilden er een keer met vier
man in plaats nemen.
De Chinese koetsier was gekleed in pyjama en moest er dus zelf bij gaan
lopen, tot dat één van ons tot drie telde en wij alle vier achterin het koetsje
gingen zitten, het paardje werd ophoog getild en hing zo’n
Het M. T. peloton
Er komt heel wat kijken om
een M.T. eenheid te
laten functioneren,
Van hoog tot laag, ieder heeft zijn taak, en hebben dat ook moeten leren.
Laten we beginnen bij de M.T.O. onze Luit. hij is de hoogste in rang,
Met zijn gezag, opdrachten en inzichten houdt hij al alles aan de gang.
Maar men mag met deze functie nog zo’n goede leider zijn van t’ geheel,
Zij ondergeschikten zijn toch ook zeer zeker een belangrijk onderdeel.
Zoals de Sergeanten, twee in totaal, één is Chef van het rollend materiaal
De ander is plaatsvervangend MTO, wat hij beheert is een apart verhaal.
Dan volgen de vijf korporaals, die hebben te samen ook wel enig gezag,
De rang daaronder is soldaat 1e klas, zij beuren minder soldy per dag.
Als laatste de soldaat, hun prestaties zijn er niet minder om, weet dat
wel,
Het zijn de chauffeurs, en ook ver in de meerderheid van het hele stel.
Wat betreft de garage, die tegenover het woonhuis van de M.T. was gelegen,
daar is toen een provisorische brug gemaakt om de trucks op te kunnen rijden om
zodoende beter het onderhoud aan de onderzijde te kunnen verrichten. Die brug
werd samengesteld uit oude olie drums en ijzeren balken, met veel precisie
moesten de voertuigen daarop worden gereden, het was alweer een eigen ontwerp
van hobbyisten.
Wat de plaats Modjokerto aangaat de afstanden naar o.a. kantine en bioscoop
waren op loop afstand.
Ton Weterings weet nog dat tijdens een proefrit, bij het oplossen van een
benzine storing er over de brug van de Kalie Brantas een handelaar stond met
zo’n 20 balen suiker. De Chinees liet weten dat hij daarmee naar Soerabaya wou
en het hem wel wat waard was als wij dat transport voor hem uit voerde, een
afstand van zo’n
Ton was ook een keer betrokken bij een aanrijding met een Jeep waarmee hij
reed, er zijn daarbij slachtoffers gevallen onder de burgers.
Het is behandeld door de Krijgsraad en hij kreeg daarvoor 2 maanden
detentie , dat waren geen gemakkelijke weken.
Maar bij controle na het ongeval bleek dat er geen remvoering op de
remschoenen aanwezig was.
De berichten van het thuisfront klinken ook allemaal gunstig, kortom het
leven is weer wat aangenamer geworden. Omdat verschillende onderdelen van het
Bataljon ver uit elkaar liggen wordt er dagelijks veel gereden om de benodigde
goederen op hun plaats te brengen.
De chauffeurs maken veel uren en om hun af en toe wat rust te geven laat de
M. T. O. ( wij zullen hem in vervolg onze Luit. noemen )o.a. Vic van Schijndel
en Jan als reserve chauffeurs fungeren. De chauffeurs hebben overigens nog
steeds geen militair rijbewijs voor dit land, maar daar wordt ook tot dusver
niet op gecontroleerd.
Er worden nu ook ritten gemaakt naar Patjet en Tretes, hoog in de bergen zijn vakantie oorden waar
militairen om beurten een weekje mogen verblijven, en daar moet ook de nodige
fourage worden gebracht. Zo krijgen de M. T. manschappen de gelegenheid daar
een weekje door te brengen. Sommige chauffeurs nemen hun truck mee om dagelijks
een ritje naar Modjokerto te maken voor het ophalen van proviand, en natuurlijk
de post. Zo gaan Simon Beuving
en Jan op 23 Mei 1948 samen met de Fargo naar Tretes,
en rijden om beurten
naar Modjokerto. Het is werkelijk genieten daar in de bergen en er is
ook een mooi zwembad.
Arie Jongenelen krijgt op een keer een idee, hij stelt aan Jan Baas voor
samen een kamer te betrekken welke apart achter het gebouw ligt.
Er moet wel het een en ander worden gedaan zoals schoonmaken en een kwastje
witkalk, maar als de beslissing is genomen en het werk is gedaan en Arie een
stel mooie meubels heeft weten te versieren, dan zitten die twee erbij als een
vorst. Er staat ook een mooi bureau en dat komt goed van pas want Jan is bezig
met een schriftelijke cursus Autotechniek en daar kan nu in alle rust aan
worden gewerkt. Arie was ook een echt versierder, je kon het zo gek niet
bedenken of hij wist overal aan te komen.
In deze periode wordt de Truck van Arie ook vaak door Jan Baas bereden en
dat is ook te zien, eerst stond boven het voorraam de naam Sarreltje, hetgeen de bijnaam was van Arie, maar nu staat op de
bumper van die truck Mokum
en Sientje. Het was trouwens al lang de gewoonte, die oogluikend door
onze Luit. werd toegestaan, dat er op de trucks namen stonden van onze
geliefden in Nederland.
Op een avond krijgt Jan de opdracht van de Luit. een vrachtje te doen naar
Soerabaya, de heren Officieren hebben een feestje gehad en daarvoor zijn een
stel “dames” van de MARVA over gekomen, en die moeten nu weer naar hun
onderdeel in Soerabaya. De heren
Officieren willen ook mee en daarom acht onze Luit. het beter dat hij zelf ook
meegaat, en neemt plaats in de cabine naast Jan. Dat was een teken welk
plichtsgevoel onze M.T.O. had, want wat zou Jan moeten beginnen als het uit de
hand zou lopen.
De passagiers gingen flink tekeer achter in de truck maar daar had men in
de cabine geen hinder van.
Er is al eens geschreven over ons grote geldgebrek zoals bij die
busdiensten op Soerabaya en daar wordt met medewerking van o.a.. Arie
Jongenelen wat op gevonden. Het komt hier op neer dat er benzine wordt
opgespaard in jerrycans en dat daar geld voor wordt gemaakt.
Natuurlijk is dat diefstal van Rijksgoederen, maar omdat dat zelfde Rijk zo
weinig soldij uitkeert maken zij een dief van deze chauffeurs, tenminste met
deze opvatting werd dit plan ten uitvoer gebracht. Natuurlijk komt die benzine
uit de trucks, en als dan de truck voor de busdienst s’ avonds terugkomt worden
de gevulde jerrycans achter in de wagen geplaatst en worden deze naar een
Chinees gebracht.
Daar staan de lege blikken klaar, er wordt afgerekend en de truck gaat naar
de parkeerplaats waar de lege blikken worden uitgeladen. De centjes worden dan
verdeeld zodat de beurs weer iets wordt gevuld.
Natuurlijk wordt hier een gevaarlijk spelletje gespeeld, maar eigenlijk
wordt men er toe gedwongen omdat het soldy tekort schiet in de behoefte.
Wat die rijbewijzen aangaat daar wordt nu iets aan gedaan. Het hele koor
moet op een dag naar Soerabaya, de meesten gaan achter in de truck mee, de
Luit. gaat met een Jeep en Jan gaat met zijn B. S. A. De bedoeling is dat wij
allemaal ons truck rijbewijs halen, de Luit. en Sergeant Timmermans ( zoals al
eerder beschreven is zijn roepnaam Timmy ) en Jan Baas ook nog het motorrijwiel
rijbewijs. Zo tussen neus en lippen zegt Jan tegen de Luit. : “ Ik weet niet of
ik mijn rijbewijs haal maar weet wel zeker dat U het haalt, want een Officier
laat men niet zakken” Maar dat viel verkeerd, en het is vrijwel zeker dat de
examinator is opgestookt om Jan het leven zuur te maken, maar het begeerde
papiertje werd wel gehaald, iedereen slaagde.
De monteurs Ton Weterings, Dick Broekhuizen en Henk Meinderts hebben soms
een periode dat het werk boven hun hoofd groeit.
Wat de motorfietsen aangaat daar wordt steeds minder mee gereden want het
is te gevaarlijk in dit gebied buiten de stad of ver vanaf bewaakte posten te
rijden, daarom staan de meeste motorfietsen in het hoekje van de werkplaats
waar Jan het onderhoud pleegt, en omdat die motorfietsen minder tijd vergen is
het ook wel eens de beurt aan Jan een handje te helpen bij de andere
voertuigen. Zo geeft de Jager hem de opdracht een
motor uit- en in - een Jeep te bouwen, op zich zelf is dat ook wel weer
eens leuk.

Maar er zijn toch nog leukere dingen, zoals de opdracht die nu aan een stel wordt gegeven. Het Burgerbestuur van het Oostelijk deel op Oost Java heeft de Brigade verzocht in dat deel een demonstratieve patrouille met militaire voertuigen te houden. De Nederlandse planters voelen zich onveilig. Voor deze taak worden 5 trucks van de M. T. ingeschakeld en de chauffeurs zijn Baltus, Derksen en van Rij, en verders Jongenelen, Paardekooper en Tol. Verder gaan er een serie Bren- en Load Carriers ( rups / pantser voertuigen ) mee,